NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

De Belgische arbeidsmarkt in 230 tabellen: op weg naar een homogenere arbeidsmarkt?

26-01-2017

In 2015 zette de traditioneel zeer heterogene Belgische arbeidsmarkt een aantal stappen richting homogenisering. Terwijl de totale werkloosheidsgraad stabiel bleef op 8,5% – de Europese werkloosheidsgraad nam ondertussen af 10,4 naar 9,6% – liet er zich een daling optekenen bij de 20- tot 29-jarigen. Daardoor werd de discrepantie tussen de leeftijdsgroepen kleiner. Bovendien vond er een daling van de werkloosheid plaats bij immigranten met een niet-EU-nationaliteit (van 30,8% naar 26,1%), waardoor ook de achterstand in werkzaamheidsgraad van deze groep ten opzichte van Belgen en EU-burgers terugliep, in tegenstelling tot het Europese gemiddelde waar het verschil even groot bleef. Het verschil in werkloosheidsgraad tussen mannen (9%) en vrouwen (7,6%) blijft wel ongeveer even groot, net als de verhouding tussen laag- (16,7%), midden- (8,7%) en hooggeschoolden (4,6%). Ten slotte is ook de afstand tussen de gemiddelde bruto-uurlonen van mannen en vrouwen de voorbije jaren blijven krimpen. Het verschil beloopt nu nog 6,6% (van het mannelijk bruto-uurloon) tegenover gemiddeld 16,7% voor Europa

Dit alles blijkt uit de reeks tabellen betreffende de arbeidsmarktindicatoren die jaarlijks wordt opgesteld als bijlage bij het Nationaal Hervormingsprogramma dat elke EU-lidstaat aan de Europese Commissie moet bezorgen. Deze indicatoren worden jaarlijks uitgewerkt door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, in samenwerking met de Algemene Directie Statistiek (Statistics Belgium) van de FOD Economie en met de Gewesten en de Gemeenschappen. De tabellen geven een ruim overzicht van de Belgische arbeidsmarkt met in de meeste gevallen een spreiding van de cijfers per gewest en een vergelijking met het Europese gemiddelde. Deze vergelijking is mogelijk omdat tal van gegevens gebaseerd zijn op geharmoniseerde statistieken, zodat de vergelijking niet vervormd wordt door het gebruik van verschillende definities.

 

Werkgelegenheid en werkloosheid

De Belgische activiteitsgraad is in 2015 quasi gelijk gebleven op 73,3% voor de 20- tot 64-jarigen, enkel in Brussel is er een afname van bijna één procentpunt. Ook de werkzaamheidsgraad – het aandeel van de beroepsbevolking dat aan de slag is – bleef vrijwel stabiel op 58,7% in Brussel, 71,9% in Vlaanderen, 61,5% in Wallonië en 69,8% in de Duitstalige Gemeenschap. Hoogopgeleiden (81,8%) werken nog steeds veel vaker dan midden- (67,2%) en laaggeschoolden (45,6%). Bij die laatste groep is de werkzaamheidsgraad de voorbije 5 jaar zelfs telkens gedaald, in tegenstelling tot het EU-gemiddelde waar er sinds 2 jaar een herstel lijkt te zijn ingezet. De verbetering van de werkloosheidsgraad in de EU is trouwens voornamelijk te wijten aan een verminderde werkloosheid bij laagopgeleiden, iets waar België nog niet in slaagt.

Ook de verschillen tussen leeftijdsgroepen blijven nog steeds aanzienlijk, maar zijn merkbaar geslonken de voorbije jaren: bij de 55- tot 64-jarigen vond er sinds 2010 een toename van bijna 10 procentpunten plaats in de werkzaamheidsgraad. 44% van die groep is nu aan de slag (het EU-gemiddelde bedraagt 53,3%). En de gemiddelde uitstapleeftijd nadert inmiddels de 60. De werkzaamheidsgraad bij de 20- tot 54-jarigen ligt met 73,5% iets onder het Europese gemiddelde van 74,6%. Daarnaast vond er een lichte toename van de werkzaamheidsgraad plaats bij de niet-EU-burgers in ons land: van die groep werkte in 2015 42,7% terwijl dat het jaar ervoor slechts 40,5% was (hierbij dient wel de kanttekening gemaakt te worden dat de foutenmarge voor dit cijfer groter is vanwege de beperktere steekproef). Niettemin blijft de afstand tot staats- en EU-burgers in ons land (respectievelijk 68,5% en 66,4% daarvan is aan het werk) groot. Het verschil tussen recente immigranten – die hier minder dan 5 jaar verblijven – is zelfs nog groter: slechts 36,6% van de recente inwijkelingen van buiten de EU is aan het werk tegenover 68,2% van de EU-onderdanen. Het verschil in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen blijft afnemen voor alle leeftijdscategorieën en opleidingsniveaus, het meest uitgesproken in Vlaanderen. In Brussel echter is de discrepantie tussen mannen en vrouwen de voorbije twee jaren net toegenomen.

 

Uitdagingen bij ouderen en langdurig werklozen

De verhoogde werkzaamheidsgraad bij oudere werknemers mag echter niet doen vergeten dat ook de werkloosheid bij ouderen iets is toegenomen, vooral in Vlaanderen. Dat heeft mogelijk te maken met de afname van het aantal personen in het Stelsel van Werkloosheid met Bedrijfstoeslag (SWT, beter bekend als brugpensioen). Het aantal loontrekkenden dat beroep doet op een ziekte- of invaliditeitsuitkering is daarentegen gestegen tussen 2014 en 2015 (van 193.121 naar 207.670). En ook loopbaanonderbreking en tijdskrediet namen toe (van 276.300 naar 288.107). Daarnaast blijft België een land met relatief veel langdurig werklozen (51,9% van de totale werkloosheid in 2015). Terwijl het totaal aantal werklozen afnam van 597.774 in 2014 naar 579.873 in 2015 (administratieve gegevens), nam het aantal langdurig werklozen (24 maanden of langer werkloos) licht toe van 207.623 naar 208.949. Niettegenstaande er in 2015 meer vacante jobs beschikbaar waren voor een beperkter aantal werkzoekenden, blijken sommigen groepen dus maar moeizaam ingeschakeld te worden.

 

Levenslang leren

De mismatch op de arbeidsmarkt die uit de bovenstaande cijfers blijkt, uit zich ook in de kwalificaties van de bevolking. In 2015 namen er minder personen deel aan opleidingen (slechts 6,7% van de bevolking van 25 tot 64 jaar ten opzichte van 7,1% in 2014). De daling is vooral sterk in Vlaanderen. Vrouwen nemen vaker deel aan opleidingen dan mannen (7% tegenover 6,3%). Enkel bij 55 tot 64-jarigen zien we een lichte toename van het aantal deelnames. Ook wanneer we enkel naar de werkende bevolking kijken zien we een afname van de participatiegraad aan opleidingen. Geen enkele groep haalt het Europese gemiddelde.

Daarbovenop zien we een lichte terugval in de computer skills die 25- tot 54-jarigen zichzelf toeschrijven: het aandeel mensen met gemiddelde tot hoge skills neemt af terwijl de groepen met lage of zelfs geen skills groeien. Internet skills gaan er heel licht op vooruit. Deze cijfers bieden mogelijk een deel van de verklaring voor de mismatch op de arbeidsmarkt. Ook België ’s voorsprong op vlak van arbeidsproductiviteit ten opzichte van de EU nam in 2015 zeer licht af, maar blijft aanzienlijk (35% meer BBP per gewerkt uur dan het Europees gemiddelde).

 

Kwaliteit van de arbeid

De reeks bevat ook heel wat indicatoren omtrent de kwaliteit van de arbeid. Daaruit blijkt dat de loopbanen van vrouwen en mannen er toch vaak anders uitzien: 44,2% van de vrouwelijke werknemers werkt deeltijds, tegenover 10,3% van de mannen. Van de personen die deeltijds werken, geeft 10,2% aan dat ze dat onvrijwillig doen (15,8% van de mannelijke deeltijders en 8,8% van de vrouwen). Voor vrouwen ligt een belangrijk deel van de verklaring in hun zorgverantwoordelijkheden: 5,5% van de vrouwelijke bevolking geeft aan onvrijwillig deeltijds werk te doen ten gevolge van zorgverantwoordelijkheden. Nog eens 2,9% is om die reden zelfs in inactiviteit.
Daarnaast stellen we vast dat het aandeel tijdelijk werk licht toenam in 2015 (van 8,6 naar 9%). 80,1% van de werknemers met een tijdelijk contract geeft echter aan dat ze tegen hun zin dergelijk contract moeten aangaan. Ook hier ligt dus een uitdaging voor meer arbeidskwaliteit.

 

Aantal arbeidsongevallen daalt

Het aantal arbeidsongevallen bij werknemers in de privésector is de voorbije 5 jaar telkens gedaald. Het voorbije jaar van 121.195 naar 116.447. Daarentegen is het aantal personen die een blijvende arbeidsongeschiktheid hebben ten gevolge van een beroepsziekte tussen 2014 en 2015 gestegen van 1.251 naar 1.407. Ook waren er iets meer ongevallen die leidden tot een blijvende arbeidsongeschiktheid, en tevens iets vaker met dodelijke afloop. Opvallend zijn de sterke verschillen tussen mannen en vrouwen. In 2015 hadden 68 mannen een arbeidsongeval met een dodelijke afloop, tegenover 3 vrouwen. Dit is te verklaren door het feit dat mannen meer tewerkgesteld zijn in sectoren waar de kans op een dodelijk arbeidsongeval het grootst is. Zo werken bijvoorbeeld 12,2% van de mannen in de bouwsector, terwijl slechts 1,3% van de vrouwen in deze sector tewerkgesteld zijn.


Al deze indicatoren en nog veel meer zijn terug te vinden op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, module “Statistieken”: Indicatoren van de Europese Werkgelegenheidsstrategie.

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites