NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Interprofessionneel akkoord: wet en koninklijk besluit

04-03-2011

Vice-Eerste minister en minister van Werk, Joëlle Milquet, is blij met de goedkeuring deze morgen door de ministerraad van de eerste ontwerpen van wet en van koninklijk besluit noodzakelijk voor de uitvoering van het bemiddelingsvoorstel van de federale regering, dat het ontwerp van interprofessionneel akkoord van de sociale partners in positieve zin aanpast.

Deze goedkeuring maakt het concreet mogelijk om belangrijke verbeteringen aan te brengen aan de huidige situatie, zowel op het vlak van de koopkracht als de bescherming van werknemers die slachtoffer worden van een ontslag. Tegelijkertijd wordt het concurrentievermogen van onze ondernemingen gevrijwaard.


1. De loonmarge: een koninklijk besluit ter bevordering van de werkgelegenheid en de preventieve bescherming van het concurrentievermogen

De Regering heeft de maximale loonmarge voor 2011 en 2012 boven index vastgelegd op 0,3% zoals de sociale partners in hun ontwerp van IPA hadden overeengekomen. Die 0,3 % mag pas in 2012 gebruikt worden. De regering bevestigt in dit verband dat de automatische indexering niet in vraag wordt gesteld en zij herinnert aan het feit dat conform de wet van 26 juli 1996 de indexering en de baremieke verhogingen als minimum gewaarborgd zijn.

2. Verhoging van de werkloosheidsuitkeringen via de welvaartsvastheid: ontwerp van koninklijk besluit op de werkloosheidsreglementering wat betreft het welvaartsvast maken van de werkloosheidsuitkeringen

De ministerraad heeft ook zijn akkoord verleend aan de toewijzing van een deel van de « welzijns »-enveloppe voor loontrekkenden, namelijk voor wat betreft de maatregelen die op 1 maart 2011 van kracht worden. Het gaat hierbij concreet om:

  • een verhoging met 1,25 procent van het bedrag van de plafonds voor de bepaling van de bedragen van de werkloosheidsuitkeringen. Dit geldt zowel voor de plafonds van voltijds werklozen als voor die van deeltijds werklozen, maar niet voor bruggepensioneerden noch voor werklozen die bijkomende uitkeringen ontvangen noch voor oudere grensarbeiders.
  • een verhoging van de uitkeringsbedragen voor alleenstaanden in de tweede periode van 53 naar 55 procent.

De rest van de « welzijns »-enveloppe voor loontrekkenden zal het voorwerp uitmaken van discussies tijdens de begrotingsopmaak 2011, net als de maatregelen die betrekking hebben op de zelfstandigen en op de sociale bijstand (dit omvat onder meer de welvaartsvastheid omvat van de uitkeringen van personen met een handicap, de leeflonen, de gewaarborgde gezinsbijslag, de IGO).


3. Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 1 februari houdende de verlenging van de crisismaatregelen en de uitvoering van het interprofessioneel akkoord

A. Het definitieve behoud van de anticrisismaatregelen die door de minister van Werk in het leven werden geroepen, met name:

  • het stelsel van tijdelijke en collectieve volledige of gedeeltelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor bedienden in ondernemingen in moeilijkheden;

Om de werkelijkheid van deze moeilijkheden vast te stellen worden er twee referentiepunten voorgesteld: hetzij een belangrijke daling (10 procent vergeleken met hetzelfde kwartaal van het jaar 2008) van het zakencijfer, de productie, of de bestellingen, hetzij een belangrijke toevlucht (ten minste 10 procent van het totaal aantal dagen dat wordt aangegeven aan de RSZ) tot de tijdelijke werkloosheid voor arbeiders. Dit systeem treedt in voege op 1 januari 2012. De criteria blijven onveranderd in 2011.

  • De ontslagpremie toegekend aan ontslagen arbeiders. De premie blijft tot 31 december 2011 1.666 euro bedragen, deels te betalen door de werkgever en deels door de RVA.

Vanaf 1 januari 2012 wordt deze premie vervangen door een begeleidingspremie, uitsluitend en volledig betaald door de RVA:

  • voor de bestaande arbeidsovereenkomsten van arbeiders die worden ontslagen na 1 januari 2012, bedraagt de premie:
    • 1.250 euro voor arbeiders met minder dan 5 jaar anciënniteit;
    • 2.500 euro voor arbeiders met anciënniteit tussen 5 en 10 jaar;
    • 3.750 euro voor arbeiders met meer dan 10 jaar anciënniteit;
  • voor de nieuwe arbeidsovereenkomsten van arbeiders die na 1 januari 2012 worden gesloten, bedraagt de premie 1.250 euro.

B. Bovendien verlengt de regering bestaande akkoorden, zoals de afwijkingen op het brugpensioen en het deeltijds brugpensioen, de bijdrage voor de risicogroepen, de innovatiepremie, de bijdrage voor de financiering van het begeleidingsplan van langdurig werklozen, enz.

C. Wat betreft het dossier inzake de harmonisering van het arbeiders- en bediendestatuut, komen verschillende nieuwe elementen aan bod.

  • Wat betreft arbeiders:

De wet wordt aangepast om verbeteringen aan te brengen aan de opzegtermijn van arbeiders en nog verder te gaan dan wat de CAO 75 voorziet. Deze maatregel geldt voor alle arbeiders wiens arbeidsovereenkomst ingaat na 1 januari 2012.

 

Huidige situatie
CAO 75

Nieuwe situatie
(voor overeenkomsten die ingaan op 1 januari 2012)

Minder dan 6 maanden anciënniteit

28 dagen opzeg

28 dagen opzeg

Van 6 maanden tot 5 jaar anciënniteit

35 dagen

40 dagen

Van 5 jaar tot 10 jaar anciënniteit

42 dagen

48 dagen

Van 10 jaar tot 15 jaar anciënniteit

56 dagen

64 dagen

Van 15 jaar tot 20 jaar anciënniteit

84 dagen

97 dagen

Meer dan 20 jaar anciënniteit

112 dagen

129 dagen

 

Onder bepaalde voorwaarden kan rekening gehouden worden met de anciënniteit die de arbeider heeft verworven als uitzendkracht bij de werkgever waarmee hij nu een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.

  • Wat betreft bedienden

Voor de bedienden die jaarlijks minder verdienen dan 30.535 euro blijft de 3 maanden per begonnen schijf van 5 jaar behouden.

Voor de bedienden die jaarlijks meer verdienen dan 30.535 euro, zijn volgende wijzigingen aan de orde:
 

Huidige situatie

Nieuwe situatie – nieuwe overeenkomsten vanaf 1 januari 2012 (en tot 31 december 2013)

Minder dan 5 jaar anciënniteit: minimum 3 maanden

Minder dan 3 jaar anciënniteit: 91 dagen

Van 5 jaar tot 10 jaar anciënniteit: minimum 6 maanden

Minder dan 4 jaar anciënniteit: 120 dagen (30 x 4)

Van 10 tot 15 jaar anciënniteit: minimum 9 maanden

Minder dan 5 jaar anciënniteit: 150 dagen (30 x 5)

Van 15 jaar tot 20 jaar anciënniteit: minimum 12 maanden

Minder dan 6 jaar anciënniteit: 182 dagen (30 x 6)

Van 20 jaar tot 25 jaar anciënniteit: minimum 15 maanden

Minder dan 7 jaar anciënniteit: 210 dagen (30 x 7)

Van 25 jaar tot 30 jaar anciënniteit: minimum 18 maanden

=> berekening opzeg = 30 dagen per begonnen jaar anciënniteit

Bij elke nieuwe periode van 5 jaar anciënniteit wordt de termijn met 3 maanden verlengd. Dit is dan de in acht te nemen minimum-opzeggingstermijn.

 

 

4. Een supplement van minimum 2 euro per dag voor economisch werkloze arbeiders

Een bepaling van de wet voorziet dat de arbeider, vanaf 1 januari 2012, voor elke dag dat hij tijdelijk werkloos is, recht heeft op een supplement bovenop de werkloosheidsuitkering wegens schorsing van de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. Het minimumbedrag van dit supplement wordt bepaald 2 euro per dag waarop hij niet heeft kunnen werken. Dit supplement is ten laste van de werkgever tenzij het via een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaard door de Koning, ten laste wordt gelegd van het Fonds voor Bestaanszekerheid.

5. Verhoging van de uitkering bij economische werkloosheid voor arbeiders: besluit tot verlenging van de verhoging van de uitkeringen bij tijdelijke werkloosheid

De vergoedingen voor werknemers bij economische werkloosheid worden, onbeperkt in de tijd, opgetrokken van 60 tot 70 procent van het laatste loon voor samenwonenden en van 65 tot 75 procent voor alleenstaanden en gezinshoofden. Deze verhoging geldt voor alle tijdelijke werklozen, dus zowel voor arbeiders als bedienden.

6. Werkbonus: Voorontwerp van wet tot wijziging van het wetboek op de inkomstenbelastingen betreffende de werkbonus en de opzegvergoedingen

Op voorstel van de minister van Werk wordt het nettoloon per jaar opgetrokken met 120 euro voor de lage lonen, via een gelijkwaardige belastingverlaging. Voor bedienden betekent dat een verhoging van hun netto maandloon met 10 euro per maand, voor arbeiders is dat 10,91 euro, aangezien het gespreid wordt over 11 maanden.

Het belastingkrediet is gelijk aan 5,7 procent van de vermindering van de persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage van werknemers (werkbonus) die vanaf 1 januari 2011 werd toegekend met een maximum van 120 euro per belastbare periode voor 2011. Deze belastingvermindering wordt vanaf het loon voor de maand april doorgerekend in de bedrijfsvoorheffing.

Dit maximumbedrag komt overeen met 5,7 procent van het maximumbedrag op jaarbasis van de werkbonus, met name 2.100 euro. Het belastingkrediet is degressief in functie van het bedrag van het refertemaandloon, gaande van 120 euro per jaar voor een maandloon tot 1.415 euro, tot 0 euro voor een maandloon hoger dan 2.247,8 euro.

Dit is een nieuwe vooruitgang, zowel in de strijd tegen werkloosheidsvallen als in de evolutie van de koopkracht van personen met het minimumloon.

7. Ditzelfde voorontwerp van wet voorziet de vrijstelling van een eerste schijf van de opzegvergoeding of het loon uitbetaald tijdens een gepresteerde opzegperiode

Een eerste schijf van de opzegvergoeding of van het loon die wordt uitbetaald tijdens de gepresteerde opzegperiode wordt vrijgesteld voor een bedrag van 600 euro in 2012 en 2013, en 1.200 euro vanaf 2014, zowel voor arbeiders als bedienden. Hierdoor kan het nettobedrag van de uitgekeerde sommen in geval van ontslag worden opgetrokken.

Bron: persbericht van het kabinet van de minister van Werk

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites