NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Nieuwigheden statuut arbeider-bediende

12-04-2011

De wet van 12 april 2011 houdende aanpassing van de wet van 1 februari 2011 houdende verlenging van de crisismaatregelen en uitvoering van het interprofessioneel akkoord, en tot uitvoering van het compromis van de Regeging met betrekking tot het ontwerp van interprofessioneel akkoord werd op 28 april 2011 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit brengt volgende belangrijke veranderingen met zich mee.

De economische werkloosheid

Tijdelijke werkloosheid voor werklieden

De nieuwe wet wijzigt eveneens de wet van 3 juli 1978 wat betreft de tijdelijke werkloosheid voor werklieden. Zo verplicht de wet vanaf 1 januari 2012 om in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden omwille van technische stoornis, slecht weder of economische oorzaken, aan de werkman die getroffen wordt door één van deze vormen van schorsing, een supplement bovenop de werkloosheidsuitkeringen te betalen van minstens 2 euro per dag waarop hij niet heeft gewerkt. De betaling van dit supplement zal in principe ten laste zijn van de werkgever.

Economische werkloosheid voor bedienden

Bovendien voert de nieuwe wet, vanaf 1 januari 2012, in de wet van 3 juli 1978 een regeling van economische werkloosheid voor bedienden in.

De werkgever die in moeilijkheden is, overeenkomstig de in de wet vermelde voorwaarden en die gebonden is door een collectieve arbeidsovereenkomst of een ondernemingsplan, kan vanaf de bovenvermelde datum overgaan tot dergelijke regeling van economische werkloosheid voor bedienden, d.w.z. een volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of een regeling van gedeeltelijke arbeid.

De kennisgeving van de regeling van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of van de regeling van gedeeltelijke arbeid moet ten minste zeven dagen op voorhand gebeuren.

De regeling van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid kan worden ingevoerd voor de periodes voorzien in de collectieve arbeidsovereenkomst of het ondernemingsplan en dit voor maximaal respectievelijk zestien of zesentwintig kalenderweken per kalenderjaar.

De bedienden kunnen niet in een regeling van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst worden geplaatst zolang zij nog inhaalrust hebben openstaan voor overschrijdingen in verhouding tot de normale arbeidsduurgrenzen, prestaties op een zon-of feestdagen. 

Bovendien verplicht de nieuwe wet om aan de bediende in economische werkloosheid een supplement bovenop de werkloosheidsuitkeringen te betalen per dag waarop hij niet heeft gewerkt.

De betaling van dit supplement zal in principe ten laste zijn van de werkgever en hun bedrag zal als volgt worden vastgelegd.

  • hetzij het supplement is voorzien door een collectieve arbeidsovereenkomst :
    • indien de werkgever eveneens werklieden tewerkstelt, moet het bedrag minstens gelijkwaardig zijn aan deze voorzien voor de werklieden van de onderneming (dit supplement “werklieden” kan zelf niet minder zijn dan 2 euro);

    • indien de werkgever geen werklieden tewerkstelt, zal het bedrag van het supplement te betalen aan de bedienden minstens gelijkwaardig moeten zijn aan deze die eventueel is vastgelegd voor de werklieden in een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het paritair comité waaronder de werkgever zou ressorteren indien hij zodanige werklieden zou tewerkstellen (dit supplement “werklieden” kan zelf niet minder zijn dan 2 euro).

Bij gebrek aan dergelijk sectorale collectieve arbeidsovereenkomst voorzien voor de werklieden, zal het bedrag van het supplement voorzien voor de bedienden minstens gelijkwaardig zijn aan het wettelijk minimumbedrag van 2 euro voorzien voor de werklieden.

  • hetzij het supplement is voorzien door een ondernemingsplan :
    • indien de werkgever eveneens werklieden tewerkstelt, dient het bedrag minstens gelijkwaardig te zijn aan deze voorzien voor de werklieden van de onderneming, maar mag ook niet minder zijn dan vijf euro;

    • indien de werkgever geen werklieden tewerkstelt, zal het bedrag van het supplement te betalen aan de bedienden minstens gelijkwaardig moeten zijn aan deze die eventueel is vastgelegd voor de werklieden in een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in het paritair comité waaronder de werkgever zou ressorteren indien hij zodanige werklieden zou tewerkstellen.

Niettemin en opnieuw kan dit bedrag niet minder zijn dan vijf euro.

Bij gebrek aan dergelijk sectorale collectieve arbeidsovereenkomst voorzien voor de werklieden, zal het supplement voorzien door het ondernemingsplan minstens vijf euro moeten zijn.

In het geval waar het bedrag van het supplement is voorzien door een ondernemingsplan, kan de Commissie Ondernemingsplannen, op vraag van de werkgever, afwijken van de minimale grens van vijf euro. Evenwel kan de beslissing van bovengenoemde Commissie Ondernemingsplannen niet voorzien in een bedrag dat minder bedraagt dan 2 euro per dag waarop niet wordt gewerkt.

Tenslotte, heeft de bediende gedurende de periodes van volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of van de regeling van gedeeltelijke arbeid het recht de overeenkomst zonder opzegging te beëindigen.

Opzeggingstermijnen

1ste hypothese – De beëindiging betreft een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering begint voor 1 januari 2012

In dit geval gelden als regels betreffende de beëindiging de regels van de algemene regeling, zoals tot op heden toegepast op de werklieden en de bedienden.

Vanaf 1 januari 2012 wordt er evenwel een nieuwigheid ingevoerd met betrekking tot de ontslagen werklieden. Ze zullen recht hebben op een ontslaguitkering betaald door de R.V.A., met als bedrag :

  • 1.250 € wanneer de anciënniteit van de ontslagen werkman in de onderneming minder is dan 5 jaar;
  • 2.500 € wanneer de anciënniteit van de ontslagen werkman in de onderneming van 5 jaar tot minder dan 10 jaar is;
  • 3.750 € wanneer de anciënniteit van de ontslagen werkman in de onderneming 10 jaar of meer is.

2de hypothese – De beëindiging betreft een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering begint vanaf 1 januari 2012

In dit geval gelden als regels betreffende de beëindiging in beginsel de regels van de bijzondere regeling die van toepassing is vanaf 1 januari 2012.

Opzeggingstermijnen in geval van ontslag 

De ontslagen werknemer is een werkman

De sociale partners wensten dat de door de bijzondere regeling voorgeschreven opzeggingstermijnen bepaald worden door de opzeggingstermijnen die momenteel door de CAO nr. 75 worden voorgeschreven, te vermenigvuldigen met een coëfficiënt 1,15 . De nieuwe verhoogde opzeggingstermijnen zijn derhalve de volgende :

Anciënniteit in de onderneming

Opzeggingstermijn (in dagen)

minder dan 6 maanden

28

6 maanden tot minder dan 5 jaar

40

5 jaar tot minder dan 10 jaar

48

10 jaar tot minder dan 15 jaar

64

15 jaar tot minder dan 20 jaar

97

20 jaar en meer

129

 

Deze nieuwe opzeggingstermijnen gelden niet in geval van toepassing van een op sectoraal niveau vastgestelde afwijkende opzeggingstermijn, hetzij door een koninklijk besluit genomen krachtens artikel 61, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hetzij door een collectieve arbeidsovereenkomst of een collectief akkoord. Deze afwijkende termijnen blijven dus voorlopig behouden. De wet voert evenwel een mechanisme in waarbij de sectoren uitgenodigd worden om de opportuniteit te onderzoeken om deze afwijkende termijnen in dezelfde mate aan te passen als de nieuwe opzeggingstermijnen.

De ontslagen werkman zal eveneens recht hebben op een ontslaguitkering betaald door de R.V.A., voor een enig bedrag van 1.250 €.

De ontslagen werknemer is een bediende

Zijn brutojaarloon overschrijdt 30.535 € niet (bedrag op 1 januari 2011)
 

Er werd geen enkele wijziging doorgevoerd.

De opzeggingstermijn bedraagt 3 maanden per begonnen periode van 5 jaar. Het betreft de termijnen van de algemene regeling zoals tot op heden toegepast op de betrokken bedienden.

Zijn brutojaarloon overschrijdt 30.535 € , maar niet 61.071 € (bedragen op 1 januari 2011)
 

De sociale partners wensten de toepassing van een convergentiecoëfficiënt (0,97%) op de opzeggingstermijnen vastgesteld door de bijzondere regeling. De toepassing van deze coëfficiënt heeft tot gevolg gehad dat de opzeggingstermijnen van de betrokken bedienden in dagen moeten worden uitgedrukt. Deze nieuwe opzeggingstermijnen zijn vast. De betrokken bedienden kunnen dus niet, zoals in het verleden, met de werkgever de duur van deze termijn ten vroegste op het ogenblik waarop het ontslag is gegeven, overeenkomen. A fortiori verdwijnt eveneens de macht van de rechter om de duur van de opzeggingstermijn in geval van afwezigheid van een akkoord tussen de partijen te bepalen. Dit betekent dus het einde van het gebruik van de “formules”.

De nieuwe opzeggingstermijnen zijn de volgende :

Anciënniteit in de onderneming

Opzeggingstermijn (in dagen)

minder dan 3 jaar

91

3 jaar maar minder dan 4 jaar

120

4 jaar maar minder dan 5 jaar

150

5 jaar maar minder dan 6 jaar

182

6 jaar en meer

30 dagen per begonnen jaar anciënniteit

 

Zijn brutojaarloon overschrijdt 61.071 € (bedrag op 1 januari 2011)
 

De opzeggingstermijnen kunnen worden vastgelegd bij overeenkomst gesloten ten laatste op het ogenblik van de indiensttreding. Ze mogen in geen enkel geval lager zijn dan de termijnen die van toepassing zijn op de bediende wiens brutojaarloon 30.535 niet overschrijdt. Bij ontstentenis van een overeenkomst gelden de termijnen die van toepassing zijn op de bediende wiens brutojaarloon € 30.535 overschrijdt maar niet € 61.071.

Opzeggingstermijnen in geval van ontslag door de werknemer

De werknemer die ontslag neemt is een werkman

Er werd geen enkele wijziging doorgevoerd.

De opzeggingstermijnen zijn de volgende.

Anciënniteit in de onderneming

Opzeggingstermijn (in dagen)

minder dan 20 jaar

14

20 jaar en meer

28

 

De werknemer die ontslag neemt is een bediende

Zijn brutojaarloon overschrijdt 30.535 € niet (bedrag op 1 januari 2011)
 

Er werd geen enkele wijziging doorgevoerd.

De opzeggingstermijn bedraagt 1,5 maanden wanneer de anciënniteit van de bediende in de onderneming minder is dan 5 jaar en 3 maanden wanneer deze anciënniteit minstens 5 jaar is. Het betreft de termijnen van de algemene regeling zoals tot op heden toegepast op de betrokken bedienden.

Zijn brutojaarloon overschrijdt 30.535 € , maar niet 61.071 € (bedragen op 1 januari 2011)
 

De nieuwe opzeggingstermijnen zijn de volgende :

Anciënniteit in de onderneming

Opzeggingstermijn (in dagen)

minder dan 5 jaar

45

5 jaar maar minder dan 10 jaar

90

10 jaar en meer

135

 

Zijn brutojaarloon overschrijdt 61.071 € (bedrag op 1 januari 2011)
 

De nieuwe opzeggingstermijnen zijn de volgende :

Anciënniteit in de onderneming

Opzeggingstermijn (in dagen)

minder dan 5 jaar

45

5 jaar maar minder dan 10 jaar

90

10 jaar maar minder dan 15 jaar

135

15 jaar en meer

180

 

Verworven anciënniteit in de hoedanigheid van uitzendkracht

 

De wet bevat een nieuwigheid die erin bestaat om, mits bepaalde voorwaarden en grenzen, de verworven anciënniteit mee te tellen van de uitzendkracht die vervolgens loontrekkende van de gebruikende onderneming is geworden.

Om de anciënniteit te berekenen in geval van ontslag door de werkgever die voorheen gebruiker was, moet men de door de werkman of de bediende in de hoedanigheid van uitzendkracht verworven anciënniteit in overweging nemen ten belope van maximum een jaar.

Dit betreft de werklieden en de bedienden verbonden door een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering aanvangt vanaf 1 januari 2012.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites