NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Nieuwe maatregelen over werk in programmawet

27-01-2012

Op initiatief van Minister van Werk Monica De Coninck keurde de regering volgende punten uit de programmawet goed:

1. Ondernemingen moeten investeren in oudere werknemers en in opleiding

Werkgelegenheidsplan oudere werknemers

Veel ondernemingen zijn zich nog onvoldoende bewust van de waarde van oudere werknemers, en het economisch belang van een leeftijdsdivers personeelsbestand. Het negatieve vooroordeel ten opzichte van oudere werknemers gaat volledig voorbij aan de belangrijke waarde van deze werknemers voor de ondernemingen.

Om oudere werknemers langer aan het werk te houden, zullen ondernemingen jaarlijks een werkgelegenheidsplan voor oudere werknemers opmaken. In dat plan wordt een overzicht van de maatregelen gegeven die de werkgever voorneemt te nemen ten gunste van het behoud of de verhoging van het aantal oudere werknemers.

We willen de ondernemingen aanzetten om actief bezig te zijn met een leeftijdsbewust beleid. Leeftijdsbewust beleid is echter maatwerk.

Het opstellen en het naleven van het werkgelegenheidsplan is een interne aangelegenheid. Er zijn geen sancties voorzien. Wel is er sociaal overleg nodig. Vandaar dat de werkgever het werkgelegenheidsplan aan de ondernemingsraad moet voorleggen.

Het is evident dat de verwachtingen van een werkgelegenheidsplan niet dezelfde kunnen zijn voor een grote of een kleine onderneming. Zo voorzien we dat voor ondernemingen tussen 20 en 50 werknemers afwijkende regelingen kunnen genomen worden genomen. We voorzien ook dat er verschillende modellen van werkgelegenheidsplan, volgens de grootte van de onderneming, ter beschikking worden gesteld.

Een modelplan is in voorbereiding bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Zodra het afgerond is zullen de nodige maatregelen genomen worden voor de bekendmaking en de verspreiding.

Respecteren leeftijdspiramide bij collectief ontslag 

Ook dit punt heeft tot doel om oudere werknemers langer aan het werk te houden. Daarom wordt de wetgeving aangepast, zodat ondernemingen die tot een collectief ontslag overgaan de leeftijdspiramide in het bedrijf zouden naleven.

De werknemers worden ingedeeld in drie leeftijdsgroepen (<30jr, 30-54 en 50+). Het is de bedoeling dat bij een collectief ontslag het aantal ontslagen evenredig verdeeld is over deze drie groepen.

Op deze bepaling zijn wel specifieke afwijkingen mogelijk.

  • In de eerste plaats kan men per leeftijdsgroep afwijken met 10% van een strikt evenredige verdeling.
  • Een tweede tempering bestaat erin dat bij een collectief ontslag van een of meer afdelingen, de evenredige spreiding wordt bekeken op het niveau van de getroffen afdeling.
  • Tenslotte worden uit de tellingen de werknemers met een sleutelfunctie uitgesloten.

De sanctie bij niet-naleving bestaat erin dat de werkgever het recht op de structurele vermindering en de doelgroepvermindering verliest voor het kwartaal van kennisgeving van het collectief ontslag en de zeven voorgaande kwartalen voor alle werknemers van minstens 50 jaar oud én die ontslagen zijn ten gevolge van de herstructurering.

Opleidingsinspanningen

Momenteel moet 1,9% van de totale loonmassa over alle sectoren heen naar opleidingsinspanningen gaan.

Als dit niet gehaald wordt, treedt volgend mechanisme in werking: men gaat nakijken of er op sectoraal vlak een CAO is afgesloten die jaarlijks de inspanning met 0,1 % verhoogt, of voorziet in een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming en opleiding met minstens 5 %. Is die CAO er niet, dan betalen de bedrijven uit die sector een bijdrage van 0,05% op de loonmassa van de onderneming.

Die sanctie wordt nu verhoogd  tot 0,10% in 2012 en 0,15% in 2013.

Bovendien zullen ondernemingen uit sectoren die wel een CAO hebben afgesloten, maar deze doelstellingen op het niveau van de sector niet respecteren, ook deze bijdrage zullen moeten betalen.

Tegelijk wordt er een mogelijkheid ingebouwd voor de werkgevers die tot een van de betrokken sectoren behoren, maar die individueel wel voldoende opleidingsinspanningen leveren, om de sanctie te vermijden.

Verhoogde bijdragen werkloosheid met bedrijfstoeslag 

Het regeerakkoord van 1 december 2011 bevat een reeks maatregelen die tot doel hebben om de verschillende eindeloopbaanregelingen aan te passen. Zo worden de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor onder meer het vervroegd pensioen en het brugpensioen, dat nu werkloosheid met bedrijfstoeslag heet, opgetrokken.

In het verlengde daarvan voorziet het regeerakkoord dat de patronale bijdragen inzake brugpensioen en pseudo-brugpensioen zullen worden aangepast rekening houdend met de leeftijd van de bruggepensioneerde.

Wanneer de werkloosheid met bedrijfstoeslag ingaat vanaf 1 april 2012, wordt het verschuldigde percentage aan werkgeversbijdragen verdubbeld.

Naast de verhoging van de werkgeversbijdragen, die enkel geldt voor de nieuwe WBT’s (werkloosheid met bedrijfstoeslag) vanaf 1 april 2012, worden tevens alle verschuldigde percentages met 15% verhoogd. Dit geldt voor alle bijdragen verschuldigd voor alle WBT’s, maar het verhoogde percentage wordt vanzelfsprekend enkel toegekend vanaf het tweede kwartaal 2012 en latere kwartalen.

2. Uitbreiding Betaald Educatief Verlof 

Niettegenstaande de huidige crisis blijven een aanzienlijk aantal vacatures niet ingevuld.  Voor een deel heeft dit te maken met een mismatch tussen enerzijds het opleidingsniveau van werkenden en werkzoekenden, en anderzijds de vraag naar geschoolde arbeidskrachten vanuit de ondernemingen. 

Om werknemers aan te moedigen om bij het kiezen van een opleiding te opteren voor opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van een knelpuntberoep wordt het maximum aantal uren educatief verlof voor deze opleidingen opgetrokken van  100/120u naar 180u.

Een zelfde verhoging tot 180 uren wordt voorzien voor de opleidingen in het kader van het onderwijs voor sociale promotie die leiden tot het behalen van een eerste diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.

3. Aanpassing jaarlijks vakantiesysteem

Europa voorziet dat iedere werknemer tijdens het jaar waarin wordt gewerkt recht heeft op 4 weken rust met loonbehoud (in verhouding tot de in dat jaar geleverde prestaties).

De huidige Belgische wetgeving voorziet in een recht op vier weken vakantie en het daarmee overeenstemmend vakantiegeld. De effectieve uitoefening van dit recht en de uitbetaling van het vakantiegeld vinden plaats in de loop van het kalenderjaar na het jaar tijdens welk de tewerkstelling plaatsvond en die voor de berekening van de vakantie en het vakantiegeld in aanmerking werd genomen. Hieruit volgt dat werknemers in de loop van het eerste kalenderjaar van hun tewerkstelling noch vakantie noch vakantiegeld genieten.

De programmawet voorziet nu een wettelijke basis voor een oplossing. Dat volgt het unaniem voorstel van de sociale partners, dat erin bestaat dat in die gevallen een Europees vakantiegeld zal worden toegekend per gewerkte periode van 3 maanden, en dit tijdens de laatste week van de betrokken 3 maanden.

Het vakantiegeld dat dan wordt toegekend zal nadien verrekend worden op het dubbel vakantiegeld of het vertrekvakantiegeld.

Bron: persbericht van het kabinet van de minister van Werk  

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites