NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Indicatoren 2010 wijzen op stabiele arbeidsmarkt ondanks de crisis

09-02-2012

De jaarlijkse publicatie van een reeks indicatoren wijst erop dat de crisis een relatief beperkte impact had op de Belgische arbeidsmarkt. Ook de structurele zwaktes blijven echter overeind. Bovendien lijkt ons land vooralsnog onvoldoende gewapend om de werkgelegenheidskansen van de “groene economie” ten volle te benutten.

Zoals elk jaar publiceert de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een reeks indicatoren omtrent de toestand van de Belgische arbeidsmarkt. Daarbij wordt de situatie in het land en de drie gewesten ook stelselmatig vergeleken met het Europese gemiddelde. De indicatoren zijn immers gebaseerd op de afspraken die hierover in het kader van de Europese Werkgelegenheidsstrategie (Europa 2020) werden gemaakt. De meeste cijfers slaan terug op 2010, het laatste jaar waarvoor internationaal vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn.

Stabiele werkgelegenheid

De indicatoren bevestigen dat ons land de crisis relatief goed heeft doorstaan. Dat blijkt vooral uit de werkloosheid, die zich met 8,0% in 2010 op het niveau van 2006 situeerde, terwijl de EU vanuit nagenoeg dezelfde startpositie (7,9%) een stijging van de werkloosheid tot 9,3% liet optekenen. De werkzaamheidsgraad, het percentage 20- tot 64-jarigen met een baan, bedroeg 67,6% in 2010, waarmee bijna het niveau van 2007 (67,7%) werd bereikt. België nadert daarmee het EU-gemiddelde tot op één procentpunt (68,6%) maar blijft nog wel een eind verwijderd van de doelstelling die ons land voor 2020 vooropstelt (73,2%). Ook de regionale verschillen blijven groot: Vlaanderen heeft een werkzaamheidsgraad van 72,1% waarmee het net onder doet voor de Duitstalige Gemeenschap (73,1%), in Wallonië werkt 62,2% van de beroepsbevolking en in Brussel 59,2%.

De cijfers geven ook een beeld van het type arbeid dat onze arbeidsmarkt kenmerkt. 26,0% van de loontrekkenden heeft een deeltijdse baan (mannen: 9,2%, vrouwen 44,8%) en 8,1% werkt met een tijdelijk contract – veelal gaat het om een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of om interimwerk. In totaal werkt 10,7% van de werknemers onvrijwillig in een dergelijk statuut. 4,1% werkt gewoonlijk 's nachts en 8,3% werkt in een ploegenstelsel.

De Belgische arbeidsmarkt wordt zoals bekend gekenmerkt door een grote stabiliteit. In 2009 had 92,5% van de personen die in 2008 een contract van onbepaalde duur hadden nog steeds hetzelfde type arbeidsovereenkomst. Een jaar voordien werd nagenoeg hetzelfde percentage opgetekend (92,6%). Wie een contract van bepaalde duur had, liep meer risico: 36,2% stroomde tussen 2008 en 2009 door naar een permanente arbeidsovereenkomst, 19,3% belandde in de werkloosheid of de inactiviteit. In 2008 bedroegen deze percentages respectievelijk 40,3% en 15,8%. Voor deze groep laat de crisis dus duidelijk wel sporen na.

Ouderen en allochtonen blijven aan de kant staan

De relatieve stabiliteit maakt dat ook de structurele zwakten zichtbaar blijven. Zo werkt slechts 37,3% van de oudere beroepsbevolking (55-64) tegenover een EU-gemiddelde van 46,3%. Van de laaggeschoolden werkt 48,4% (EU: 53,4%) en van de niet-EU-burgers 40,4% (EU: 58,5%). 4,1% van de Belgische beroepsbevolking is langer dan één jaar werkloos (EU: 3,8%) en per maand volgt 7,2% een opleiding (EU: 9,1%). 12,5% van de inwoners van België woont in een huishouden waarin niemand werkt (Vlaanderen: 8,3%, Wallonië: 17,2%, Brussel 21,1%, EU: 10,4%). Het aandeel jongeren dat niet werkt en geen opleiding volgt bedraagt 10,9%, tegenover een Europees gemiddelde van 12,8%. Deze zogenaamde NEET-rate (“Neither in Education, Employment nor Training”) is een betere indicator dan de jeugdwerkloosheid, die sterk vertekend wordt door verschillen in opleidingsstelsel en studentenarbeid.

De belastingdruk op arbeid blijft hoog: met een impliciete belastingvoet van 41,5% situeren we ons ruim boven het EU-gemiddelde (36,0%). Dat geldt in het bijzonder voor lage loontrekkers, die in ons land met een (para)fiscale druk van 49,5% worden geconfronteerd (EU 2009: 39,3%). De deelname aan opleiding stagneert, ondanks de inspanning die de sociale partners overeenkwamen: elke maand volgt 7,2% van de Belgische werknemers een opleiding, tegenover een EU-gemiddelde van 9,1%.

Positief is dat mensen met kinderen in ons land meer werken dan mensen zonder kinderen (78,7% tegenover 74,4%), al is er bij vrouwen een licht negatief effect (1,3%) dat zelfs uitgesproken is in Brussel (10,6%). Wellicht wordt dit mee verklaard door de vrij goede voorzieningen voor kinderopvang in ons land: voor 49,8% van de kinderen jonger dan 3 jaar is er een opvangplaats beschikbaar. Ook het aandeel werkende armen bleef erg beperkt in België: 4,6% (EU: 8,4%).

Het gemiddeld brutoloon bedroeg in 2009 3.027 EUR (3.105 voor de gemiddelde man, 2.785 voor de gemiddelde vrouw). Dat loonniveau varieert volgens de gevolgde opleiding. Vooral hoger onderwijs (3.253 EUR gemiddeld) en een universitair diploma (4.651 EUR) worden op de arbeidsmarkt sterk gewaardeerd.

Onvoldoende klaar voor de vergroening

Dit jaar werden een aantal indicatoren omtrent “groene jobs” aan de lijst toegevoegd, aangezien daar tijdens het Belgisch Voorzitterschap van de EU prioriteit aan werd gegeven. Vooralsnog zijn lang niet alle nodige gegevens beschikbaar om de gevolgen van de noodzakelijke vergroening van de economie voor de werkgelegenheid volledig in kaart te brengen. Op basis van de gepubliceerde cijfers stellen we vast dat het aandeel afgestudeerden in wetenschap en biologie, een belangrijke indicator voor de potentiële benutting van groene werkgelegenheidskansen, in ons land met 12,0% van de afgestudeerden van het hoger onderwijs lager ligt dan het EU-gemiddelde van 14,3%.

Ook de verhouding tussen milieubelasting en belasting op arbeid valt in ons land relatief ongunstig uit: ze bedraagt 9% in België, terwijl in het gemiddelde EU-land 12% van de belasting op arbeid ook opgehaald wordt via milieubelastingen. Ook de uitstoot van broeikasgassen per werknemer (28.400 ton CO2-equivalent) ligt hoger dan in de rest van de EU (21.600 ton), maar dit wordt mee verklaard door de industriële structuur van ons land.

Alle indicatoren kunnen worden teruggevonden in de module Statiestieken

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites