NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Wijzigingen in verband met het gezondheidstoezicht en de financiering van externe diensten in het vooruitzicht

23-05-2014

Op 23 mei 2014 verschenen twee koninklijke besluiten in het Belgisch Staatsblad die wijzigingen aanbrengen aan een aantal uitvoeringsbesluiten van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en die een onderlinge verbondenheid vertonen.

Het gaat om:

  • het koninklijk besluit van 24 april 2014 tot wijziging van diverse bepalingen inzake welzijn op het werk (hierna “het KB Diverse Bepalingen” genoemd) dat bestaat uit artikelen die in werking treden op 1 januari 2016 en artikelen die onmiddellijk na publicatie in het Belgisch Staatsblad in werking treden;
  • het koninklijk besluit van 24 april 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk wat betreft de tarifering (hierna “het KB Tarifering” genoemd), dat in zijn geheel in werking treedt op 1 januari 2016.

De band tussen beide besluiten berust op het feit dat het KB Diverse Bepalingen artikelen wijzigt die mede de inhoud bepalen van de taken die door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk moeten worden geleverd aan de werkgever in ruil voor de betaling van een forfaitaire bijdrage, zoals ingevoegd door het KB Tarifering.

Het KB Diverse Bepalingen

Dit besluit brengt wijzigingen aan in diverse uitvoeringsbesluiten van de welzijnswet van 4 augustus 1996, meer bepaald in het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 betreffende het werken met beeldschermapparatuur, het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s bij blootstelling aan biologische agentia op het werk, het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Bepalingen die onmiddellijk in werking treden

Rechtstreekse en discrete toegang tot arbeidsgeneesheer

De werknemer kan zich rechtstreeks wenden tot de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer indien hij een spontane raadpleging of een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting wenst. Hij moet hiervoor niet langer eerst een verzoek richten tot zijn werkgever. De werknemer kan dus in alle discretie naar de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer stappen. Deze geneesheer brengt de werkgever hiervan slechts op de hoogte indien de werknemer hiermee akkoord is.

Inschakeling arbeidsgeneesheer bij toename risico’s door toestand werknemer

De werkgever krijgt de mogelijkheid om de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer te verwittigen indien hij vaststelt dat de lichamelijke of geestelijke toestand van een werknemer de risico’s verbonden aan de werkpost onmiskenbaar verhoogt.

Overleg met andere artsen

Er wordt expliciet in de regelgeving vermeld dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer overleg kan plegen met de behandelende arts en/of de adviserend geneesheer naar aanleiding van een onderzoek bij werkhervatting of van een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting. De werknemer dient hiervoor wel toestemming te geven.

Vermelding van namen en contactgegevens van preventieadviseurs

De werkgever dient zijn werknemers te informeren aangaande de opdrachten en taken van zijn interne en desgevallend zijn externe dienst, evenals van de preventieadviseurs die in deze diensten werken. Hij dient daarnaast in zijn onderneming namen en contactgegevens van de verschillende preventieadviseurs bekend te maken zodat elke werknemer op elk ogenblik kan weten wie deze personen zijn en waar ze zich bevinden. Dit is bv. belangrijk in het kader van een spontane raadpleging bij de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer of in het kader van de regelgeving inzake psychosociale aspecten.

Bepalingen die in werking treden op 1 januari 2016

Opheffing gezondheidstoezicht voor voedingswaren

Het verplicht gezondheidstoezicht voor de werknemers die activiteiten uitoefenen die een behandeling of een onmiddellijk contact inhouden met voedingswaren-of stoffen wordt opgeheven. Ter vervanging wordt een nieuwe afdeling ingevoegd in het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s bij blootstelling aan biologische agentia op het werk, waarin onder meer wordt voorzien in een opleiding over richtsnoeren en procedures in verband met voedselhygiëne, evenals in een vijfjaarlijkse specifieke risicoanalyse.

Opheffing gezondheidstoezicht voor beeldschermwerk

Het verplicht gezondheidstoezicht voor de werknemers die onderworpen zijn aan het risico beeldschermwerk wordt opgeheven. In plaats daarvan wordt onder meer voorzien in een vijfjaarlijkse specifieke risicoanalyse en passende preventiemaatregelen. Deze analyse wordt indien nodig aangevuld met een bevraging of een ander instrument dat peilt naar de werkomstandigheden van de werknemer.

Het KB Tarifering

Dit besluit hervormt het financieringssysteem van de externe diensten: de nadruk van het huidige tariferingssysteem ligt immers te sterk op gezondheidstoezicht, tot nadeel van de andere activiteiten, voornamelijk in het kader van het risicobeheer. Bovendien is de huidige regeling onvoldoende transparant, waardoor het voor een werkgever niet steeds duidelijk is welke prestaties hij juist van zijn externe dienst kan vragen in ruil voor de betaalde bijdrage. In het besluit wordt dan ook niet alleen een nieuwe berekeningsbasis voor de bijdrage aan de externe dienst voorgesteld; er wordt tevens vastgelegd welke prestaties de externe dienst moet leveren aan een werkgever in ruil voor deze bijdrage, met een betere spreiding van dit takenpakket over de verschillende welzijnsdomeinen.

De voorgestelde regeling zal de bestaande afdeling IIbis van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk vervangen met ingang van 1 januari 2016. 

Tarieven

De werkgevers worden ingedeeld op basis van hun hoofdactiviteit (zoals aangegeven in bijlage bij het besluit) en hun grootte: er zijn twee minimumtarieven voor bedrijven met meer dan 5 werknemers, een standaardtarief (87 euro) en een verlaagd tarief (52 euro), en twee tarieven voor bedrijven met 5 of minder werknemers (55 en 35 euro respectievelijk). De tarieven, evenals de andere vermelde bedragen worden gekoppeld aan de gezondheidsindex, en zullen telkens op 1 januari van het jaar worden aangepast als deze index het voorgaande jaar overschreden werd.

Berekeningsbasis

De bijdrage wordt berekend per werknemer: er wordt m.a.w. afgestapt van een financieringsbasis die is gebaseerd op het aantal al dan niet aan gezondheidstoezicht onderworpen werknemers. Voor werknemers die minimum 45 kalenderdagen bij een werkgever zijn geregistreerd, is de forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd. Voor werknemers die minder dan 45 dagen bij een werkgever werken wordt per geleverde prestatie betaald, volgens de tarieven die in de overeenkomst tussen externe dienst en werkgever worden vastgelegd.

Takenpakket in ruil voor de forfaitaire bijdrage

Welke prestaties de externe dienst moet leveren in ruil voor de forfaitaire minimumbijdrage is afhankelijk van de grootte van het bedrijf, de aanwezige risico’s, en de vorming van de preventieadviseur van de interne dienst van de werkgever:

  1. Voor werkgevers die behoren tot groep D (minder dan 20 werknemers, en waarbij de werkgever zelf de functie van preventieadviseur uitoefent) of C- (minder dan 200 werknemers, en waarbij de preventieadviseur niet minstens beschikt over een aanvullende vorming van niveau II) wordt in het KB een basispakket vastgelegd dat de externe dienst in ruil voor de minimumbijdrage moet leveren. Als er prestaties moeten worden uitgevoerd die niet zijn opgenomen in het basispakket, mag de externe dienst hiervoor afzonderlijk aanrekenen volgens de tarieven die bepaald worden voor extra prestaties. Het basispakket omvat o.a. actieve medewerking aan de risicoanalyse, het uitvoeren van voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen, spontane raadplegingen, het verlenen van bijstand n.a.v. een ernstig arbeidsongeval, het uitvoeren van bepaalde opdrachten in het kader van psychosociale aspecten, het afleveren van een gemotiveerd beleidsadvies, enz.
  2. Voor werkgevers die 5 of minder werknemers tewerkstellen (de zgn. micro-ondernemingen), geldt hetzelfde als onder punt 1, met één belangrijke uitzondering: voorafgaande en periodieke gezondheidsbeoordelingen zijn voor deze werkgevers niet in het basispakket inbegrepen (daarentegen: spontane raadplegingen, onderzoeken bij werkhervatting e.d.m. zijn inbegrepen). Deze beperking van het basispakket komt tot uiting in het verlaagd tarief. Wanneer op basis van de toepasselijke regelgeving (KB Gezondheidstoezicht) blijkt dat er in een micro-onderneming werknemers worden tewerkgesteld die onderworpen zijn aan gezondheidstoezicht, dan moeten deze prestaties uiteraard wel worden geleverd door de externe dienst, maar dienen zij afzonderlijk te worden aangerekend, en dit moet verplicht gebeuren aan de tarieven voor extra prestaties.
  3. Voor werkgevers van groep A (+ 1000 werknemers, of zeer hoge risico’s), B (+500 werknemers of hoge risico’s), en C+ (minder dan 200 werknemers, en waarbij de preventieadviseur minstens beschikt over een aanvullende vorming van niveau II) wordt geen basispakket vastgelegd. Voor deze bedrijven geldt dat het bedrag van de forfaitaire minimumbijdrage wordt omgezet in preventie-eenheden die door de werkgever kunnen worden opgenomen via prestaties vanwege de externe dienst. De regels voor omzetting en opname van deze preventie-eenheden zijn vastgelegd in het KB.

Uitzondering: bedrijven met een eigen intern medisch departement

Wanneer een werkgever beschikt over een eigen medisch departement dat belast is met het uitvoeren van het gezondheidstoezicht (dat deel uitmaakt van de eigen interne dienst of van de gemeenschappelijke interne dienst waarbij de werkgever is aangesloten), is hij geen forfaitaire minimumbijdrage verschuldigd. Als een dergelijke werkgever toch een beroep doet op een externe dienst, moet hij hiervoor een overeenkomst sluiten met een externe dienst waarin uitdrukkelijk wordt vastgelegd welke prestaties de externe dienst zal leveren en tegen welk tarief.

Tarieven voor extra prestaties

Met het oog op transparantie, ook buiten het uitvoeren van het basispakket, wordt er eveneens een tarief bepaald voor prestaties die worden geleverd buiten het forfait en die afzonderlijk moeten worden aangerekend, bv. voor prestaties bovenop of buiten het basispakket.

Transparantie in de tariferingsregeling: de elektronische inventaris

Opdat een werkgever steeds een duidelijk overzicht zou hebben van de prestaties die een externe dienst gedurende het jaar voor hem heeft geleverd, zal de externe dienst voortaan op elektronische wijze een inventaris moeten bijhouden, die door de werkgevers op elk moment online kan worden geraadpleegd.

Waarborg

Wanneer blijkt dat de externe dienst de prestaties die hij moet leveren in ruil voor de door de werkgever betaalde forfaitaire bijdrage, niet heeft geleverd, dan kan de werkgever de externe dienst in gebreke stellen. Als de externe dienst na deze aanmaning nog steeds niet optreedt, en dus in gebreke blijft om zijn prestaties alsnog uit te voeren, dan is de werkgever de forfaitaire minimumbijdrage niet (meer) verschuldigd.

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites