NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Interprofessioneel akkoord (IPA)

Een interprofessioneel akkoord is een programmatie- of kaderakkoord dat de vertegenwoordigers van de sociale partners uit de privésector afsluiten om de 2 jaar. Een dergelijk akkoord komt tot stand in de zogenaamde Groep van 10.
Sinds de 60-er jaren worden dergelijke IPA’s gesloten. Door de economische crisis was de periode van 1976 tot 1986 er een zonder akkoorden.

Daarna knoopte men terug aan met de goede traditie van tweejaarlijkse akkoorden. Enkel in 1996 en 2005 bleek het water tussen beide sociale partners te diep.
De afspraken die de partners maken in een IPA houden steeds een programmatie in voor de volgende twee jaren inzake loonevolutie, lastenverminderingen, vervangingsinkomens, enz. Deze akkoorden moeten steeds een “vertaling” krijgen in CAO’s, van de NAR, van de talrijke paritaire comités of in wetten en besluiten.
Ook de periode 2009/2010 is gedekt door een dergelijk IPA dat werd ondertekend op 22 oktober 2008. Het gaat dit keer om een uitzonderlijk akkoord, rekening houdend met de economische crisis en de noodzaak om het vertrouwen te herstellen (om de tekst te raadplegen: ga naar de website van de NAR).

Koopkracht werknemers

Voor 2009-2010 is een koopkrachtverhoging van maximum 250€ op kruissnelheid overeengekomen. In 2009 mag reeds maximaal 125€ worden toegekend.
Daarenboven blijven de indexering en baremische verhogingen behouden.
Voor deze koopkrachtverhoging in 2009-2010 kwam men overeen bijkomende lasten voor de werkgever uit te sluiten.

Om dit te realiseren en tegelijk de verhoging van de nettokoopkracht te maximaliseren, spraken de partners enkele mogelijkheden af:

  • verhoging van maaltijdcheque;
  • verhoging grensbedrag mobiliteitsvergoeding;
  • creatie en gebruik van ecocheques.

Er werd tevens een mogelijke verhoging van de werkgeverstussenkomst in de abonnementskost voor het gemeenschappelijk openbaar vervoer afgesproken (eveneens aan te rekenen op bovengenoemde 250€).

Naast de koopkrachtverhoging voor werknemers werden afspraken gemaakt over de koopkracht van de uitkeringstrekkers, omtrent de lastenverlagingen voor werkgevers en de vereenvoudiging van de banenplannen.
Een aantal andere afspraken werden verlengd (brugpensioen, risicogroepen,…).

In de meeste bedrijfssectoren worden nu, zoals dit om de twee jaar gebeurt, onderhandelingen gevoerd om in het paritair comité dit interprofessionele kader in te vullen met CAO’s.

De meeste onderhandelingen worden traditioneel in de paritaire comités afgerond in de periode juni-september.
Daarna wordt in een aantal sectoren ook nog een CAO op ondernemingsvlak gesloten om verder invulling te geven aan het IPA.
Indien sectorale CAO’s gesloten worden kan je die elders vinden op deze website.

Globale opleidingsinspanningen van werkgevers

Opgelet:

Op 23 oktober 2014 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 30 van de generatiepactwet strijdig is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod.

In antwoord op het arrest van het Hof heeft de wet van 23 april 2015 tot verbetering van de werkgelegenheid (B.S., 27 april 2015) de toepassing van artikel 30 van de wet van 23 december 2005 opgeschort.

De wet van 23 april 2015 bepaalt enerzijds dat de verplichting voor de sectoren om een cao te sluiten betreffende bijkomende opleidingsinspanningen, wordt opgeschort voor de periode 2015 en 2016 en anderzijds dat de werkgeversbijdrage van 0,05% niet zal geïnd worden voor de jaren 2012, 2013 en 2014, noch voor de jaren die onder de periode van opschorting vallen, namelijk de jaren 2015 en 2016.

Bijgevolg is de hieronder uiteengezette reglementering voor de jaren 2015-2016 niet langer van toepassing. 

Wat ? 

In het interprofessioneel akkoord 2007-2008 stellen de sociale partners dat zij van oordeel zijn dat vorming een verantwoordelijkheid is van zowel de werkgever als de werknemer.  In die geest en overeenkomstig artikel 30 van het Generatiepact en het koninklijk besluit van 11 oktober 2007 worden de sectoren geresponsabiliseerd om concrete pistes te ontwikkelen om ofwel de opleidingsinspanningen jaarlijks met 0,1 procentpunten te verhogen, ofwel een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming met 5 procentpunten te realiseren.

Wanneer de globale opleidingsdoelstellingen van de werkgevers uit de privé-sector samen niet 1,9 % van de totale Belgische loonmassa van die ondernemingen bedragen, moeten de werkgevers die behoren tot sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseren, een bijkomende werkgeversbijdrage van 0,05 % betalen ten behoeve van de financiering van het stelsel van het betaald educatief verlof.

Beoordeling van de opleidingsinspanningen 

Principe : 1,9%

De globale opleidingsinspanningen voor de privé-sector van minstens 1,9% van de totale loonmassa van alle Belgische ondernemingen wordt beoordeeld op basis van het  zgn. Technisch verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB).

Dit verslag heeft betrekking op de globale opleidingsinspanningen van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het verslag wordt uitgebracht.  Dit zal voor de eerste maal gebeuren in het Technisch Verslag van de CRB van november 2010.

De vernieuwde sociale balansen dienen als basis voor de opmaak van dit Technisch verslag.

Begrip “sectoren die onvoldoende vormingsinspanningen realiseren”

Als “sector die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseert”, wordt beschouwd de sector die geen CAO conform de hierna opgesomde voorwaarden heeft neergelegd.

Voorwaarden waaraan de CAO moet voldoen om beschouwd te worden als een voldoende verhoging van de opleidingsinspanning

1) De CAO dient aan te geven dat er een engagement wordt aangegaan met het oog op het realiseren van minstens één van de volgende doelstellingen:

  • ofwel de opleidingsinspanningen jaarlijks verhogen met minstens 0,1 procentpunten van de totale jaarlijkse loonmassa van het geheel van werkgevers die tot de sector behoren;
  • ofwel voorzien in een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming en opleiding met minsten 5 procentpunten.

2) De CAO dient de concrete maatregelen te beschrijven die daartoe zullen worden genomen. De sociale partners kunnen hiervoor kiezen uit het volgende menu:

  • aanpassing van de bijdragen voor het sectorale opleidingsfonds;
  • het toekennen van opleidingstijd per werknemer, individueel of collectief;
  • het aanbieden van en het ingaan op een vormingsaanbod buiten de werkuren;
  • stelsels van collectieve opleidingsplanning via de ondernemingsraad.

De CAO inzake bijkomende opleidingsinspanningen moet op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid (FOD WASO) neergelegd worden, uiterlijk op 1 september van het jaar waarin de CAO in werking treedt.

Overgangsregeling 

Voor het jaar 2007:
De vernieuwde sociale balansen kunnen maar ten volle gebruikt worden vanaf 2009, waardoor de beoordeling door de CRB bemoeilijkt wordt. Bovendien werd de regelgeving laattijdig uitgevoerd bij koninklijk besluit (publicatie in december 2007), waardoor het voor de sectoren onmogelijk was hun CAO’s voor 2007 – 2008 conform het KB neer te leggen. Bijgevolg blijft voor 2007 de inspanningsverbintenis bestaan, maar de sanctionerende bijdrage van 0,05% wordt niet toegepast.

Voor het jaar 2008:
De evaluatie voor 2008 moet gebeuren aan de hand van de vernieuwde sociale balansen die in de loop van 2009 worden ingediend. Bijgevolg kan deze evaluatie pas ten vroegste gebeuren op het einde van 2010.
De sectoren die op 1 november 2008 (voor het jaar 2008 werd de uiterste datum voor neerlegging van de CAO verschoven naar 1 november 2008) geen CAO hebben neergelegd die voorziet in afspraken over een verhoging van de investering van de bedrijven in vorming of een verhoging van de participatiegraad van deze werknemers aan vorming voor het jaar 2008, krijgen de kans om deze inspanning in te halen in de “CAO-ronde” 2009-2010. Let wel, de in te halen vormingsinspanning voor 2008 komt dan bovenop de vereiste vormingsinspanningen voor de jaren 2009 en 2010. Enkel op die manier kan een sanctionering voor 2008 vermeden worden.

Controlecyclus 

Het hoger beschreven mechanisme is onderworpen aan een strak tijdsschema dat hieronder wordt toegelicht.

Lijst van sectoren die een CAO conform de voorwaarden van het KB van 11/10/2007 hebben neergelegd: uiterlijk op 1 oktober maakt de FOD WASO de lijst van sectoren die een CAO conform de regelgeving hebben neergelegd over aan de Nationale Arbeidsraad (NAR) en de CRB ter informatie.

Lijst van sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseren: uiterlijk op 1 juni van het daaropvolgend jaar maakt de FOD WASO de lijst van sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseren over aan de NAR en de CRB voor advies.

Uiterlijk op 31 december maken de NAR en de CRB hun gezamenlijk advies over aan de Minister van Werk.

Op basis van dit advies stelt de Minister van Werk de definitieve lijst van de sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseren vast bij ministerieel besluit.

Deze lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) overgemaakt uiterlijk op 15 januari van het daaropvolgende jaar.

Regelgeving 

  • Artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, B.S. 30 december 2005 (“Generatiepactwet”)
  • Koninklijk besluit van 11 oktober 2007 tot invoering van een bijkomende werkgeversbijdrage ten bate van de financiering van het betaald educatief verlof voor de werkgevers die behoren tot sectoren die onvoldoende opleidingsinspanningen realiseren in uitvoering van artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites