NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Onderzoek van arbeidsongevallen met een arbeidsongeschiktheid vanaf 4 dagen door de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk bij werkgevers van bedrijven van de groepen C en D

Vragen

  1. Op welke wijze moet de verwittiging van de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk gebeuren?
  2. Binnen welke termijn moeten deze ongevallen onderzocht worden?
  3. Hoe dient er gehandeld te worden bij ongevallen die gebeuren buiten de bedrijfsterreinen van de werkgever?

Antwoorden

Het is de bedoeling van de wetgever dat voor dergelijke bedrijven de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk in principe de taken overneemt van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk, zoals bepaald in de voorschriften van artikel 7, § 1, 1° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.

Het is tevens de bedoeling om bij het onderzoek van arbeidsongevallen:

  • de nodige preventiemaatregelen vast te stellen om dergelijk ongeval in de toekomst te vermijden;
  • na te gaan of op andere plaatsen in de onderneming identieke risico' s bestaan en hiertegen de nodige passende preventiemaatregelen te treffen om ze te elimineren of te verminderen tot een aanvaardbaar minimum.

Daarenboven dient nagegaan of naar aanleiding van deze ongevallen het globaal preventieplan en desnoods het jaarlijks actieplan moeten bijgestuurd worden.

Het is dus van het allergrootste belang dat de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk onmiddellijk met elk geschikt technologisch middel op de hoogte wordt gesteld van elk ongeval dat in aanmerking komt om door deze dienst op basis van de reglementaire voorschriften te worden onderzocht. Het is tevens aangewezen deze melding schriftelijk te bevestigen.

In principe rust deze verplichting op de werkgever; nochtans lijkt het aangewezen deze opdracht toe te vertrouwen aan de preventieadviseur van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk gelet op zijn coördinerende rol indien er voor sommige opdrachten beroep moet gedaan worden op een Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.

De modaliteiten waarop deze melding dient te gebeuren moeten opgenomen worden in de schriftelijke overeenkomst afgesloten tussen de werkgever en de externe dienst (artikel 13 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk).

Wat het onderzoek van deze arbeidsongevallen betreft, dient er rekening gehouden met volgende reglementaire bepalingen:

  1. De Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk moet deelnemen aan de studie van de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van ongevallen en incidenten en aan de studie van de oorzaken van doorslaggevende aard van elk ongeval dat een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad (artikel 5, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk).
  2. De leden van de hiërarchische lijn voeren mee het beleid uit van de werkgever met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. In dit verband onderzoeken ze de ongevallen en incidenten die zich op de werkplaats hebben voorgedaan en stellen ze maatregelen voor om dergelijke ongevallen of incidenten te vermijden (artikel 13, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid).
  3. De interne dienst is daarenboven belast met volgende opdrachten wanneer beroep wordt gedaan op een Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk:
    • samenwerking met de externe dienst organiseren;
    • coördinatie verzekeren met de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk door aan deze dienst alle nuttige informatie te verstrekken die hij nodig heeft voor het vervullen van zijn opdracht;
    • in het kader van de risicoanalyse samenwerken met de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk, door de preventieadviseur van de externe dienst te vergezellen bij onderzoekingen op de arbeidsplaats en hem bij te staan bij het onderzoeken van de oorzaken van arbeidsongevallen en beroepsziekten en bij het opstellen van inventarissen. (artikel 12, 1°, 2° en 3° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk).

Hieruit volgt dat de interne dienst samen met de externe dienst een strategie moet uitwerken om tot het onderzoek van voornoemde arbeidsongevallen over te gaan zo vlug mogelijk na hun gebeuren.

Het opstellen van het scenario waarin de taakverdeling tussen beide diensten is opgenomen alsmede de inbreng van de hiërarchische lijn is onontbeerlijk.

Dit scenario zal minstens volgende punten bevatten:

  1. de wijze waarop de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk wordt geïnformeerd over een arbeidsongeval;
  2. de aanwijzing van de persoon of de dienst die de eerste vaststellingen moet doen;
  3. de aard en omvang van deze eerste vaststellingen;
  4. de te respecteren termijn om de verzamelde inlichtingen over te maken aan de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk;
  5. indien uit de eerste vaststellingen blijkt dat veiligheidsuitrustingen van machines niet of slecht functioneerden, of indien technische, mechanische gebreken werden vastgesteld, dan moet de Externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk binnen de drie dagen het onderzoek ter plaatse starten;
  6. de maximale termijn vaststellen om het onderzoek van een arbeidsongeval af te ronden; deze termijn mag in geen geval drie maanden overstijgen;
  7. te volgen procedure voor ongevallen die buiten de bedrijfsterreinen van de werkgever plaatsvinden.

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites