NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Doelgroepvermindering voor mentors

/uploadedImages/A-Z/picto_6.jpgOpgelet!  De informatie op deze pagina gaat over bevoegdheden die, geheel of gedeeltelijk, overgedragen werden naar de gemeenschappen en gewesten.  

De bestaande regelgeving blijft gelden tot een gemeenschap of gewest ze wijzigt. 

Sinds 1 april 2015 kan u voor meer informatie terecht bij de bevoegde dienst:  

 

Waarover gaat het?

De “doelgroepvermindering voor mentors” is een lastenverlaging voor werkgevers die opleidingen op de werkvloer organiseren voor jongeren of hun leerkrachten en die daarvoor een of meer werknemers als begeleider/opleider inzetten.
Het gaat bijvoorbeeld om stagiairs uit het voltijds secundair onderwijs, jongeren met een leerovereenkomst of leerkrachten uit het secundair onderwijs die een praktijkstage lopen (zie verder voor de volledige lijst).

Doel van deze lastenverlaging: werkgevers aanmoedigen om hun ondernemingen of instellingen open te stellen voor opleidingen op de werkvloer. Zo kunnen ze onder andere meehelpen om de ongeschoolde uitstroom uit het onderwijs terug te dringen of om jonge werkzoekenden bij te scholen.

Deze lastenverlaging is een korting op de socialezekerheidsbijdragen die deze werkgevers normaal gezien moeten betalen voor hun werknemers die begeleider/opleider zijn (de “mentors”).

Er zijn wel een aantal voorwaarden aan verbonden, die te maken hebben met

  • de mentors zelf (beroepservaring, certificaat van mentorbekwaamheid)
  • het aantal jongeren in opleiding
  • het aantal opleidingsuren

Wetgeving

  • programmawet (I) van 24 december 2002, titel 4, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 5bis
  • koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, titel 3, hoofdstuk 5bis.

Voorwaarden

Voor de werkgever

Heel algemeen komen alle soorten werkgevers in aanmerking (private commerciële of industriële sector, non-profitsector, overheid).

Om recht te hebben op de doelgroepvermindering voor “mentors” moet een werkgever

  • stages of opleidingen in zijn onderneming of instelling laten doorgaan voor leerlingen/cursisten/stagiairs die tot de beoogde doelgroepen behoren en
  • een of meer van zijn werknemers belasten met de begeleiding van deze stages of opleidingen; dit zijn de “mentors”.

Voor leerlingen/cursisten/stagiairs die de werkgever niet moet aangeven in Dimona, moet hij een aantal gegevens over hun stage in zijn onderneming of instelling vooraf schriftelijk vastleggen in een overeenkomst met de opleidings- of onderwijsverstrekker die de verantwoordelijkheid heeft over de stages in kwestie.

Voor leerlingen/cursisten/stagiairs die de werkgever wel moet aangeven in Dimona (en eventueel ook in de DmfA), moet hij geen dergelijke overeenkomst sluiten.

Als hij een overeenkomst heeft gesloten in verband met de opleiding van “niet-Dimona -stagiairs”, dan steekt hij daar ook een kopie van deze overeenkomst bij.
Als het bestand in orde is, dan bezorgt deze directie de nodige gegevens aan de inningsdiensten van de sociale zekerheid (RSZ en RSZPPO), zodanig dat die met kennis van zaken de gevraagde doelgroepverminderingen kunnen controleren.

Voor de betrokken personen in opleiding (stagiairs, leerlingen, cursisten, enz.)

De volgende categorieën komen in aanmerking (deze en geen andere):

  • jongeren die de werkgever moet aangeven in Dimona:
    • jongeren van minder dan 26 jaar met een IBO (VDAB), FPI-E (Actiris/Bruxelles-Formation), PFI (FOREM) of IBU (ADG)
    • jongeren van minder dan 30 jaar in een instapstage
     
  • jongeren die de werkgever moet aangeven in Dimona en DmfA:
    • jongeren uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) met een werknemersleerovereenkomst (= “ILW”, inclusief JLW en ABO in de bouwsector), een deeltijdse arbeidsovereenkomst, een IBO, een beroepsinlevingsovereenkomst (BIO) of een opleidingsovereenkomst in een brugproject
    • jongeren met een leerovereenkomst in het opleidingssysteem van de middenstand en de KMO’s (“leertijd” Syntra, IFAPME, IAWM of SFPME)
    • jongeren van minder dan 26 jaar met een stageovereenkomst in het kader van de ondernemersopleiding (Syntra, IFAPME, IAWM of SFPME)
    • jongeren van minder dan 26 jaar met een omscholingsovereenkomst voor gehandicapten (Phare, AWIPH en DPB; bestaat niet in Vlaanderen)
     
  • personen die de werkgever niet moet aangeven (noch Dimona, noch DmfA)
    • stagiairs uit het voltijds technisch secundair onderwijs (TSO, inclusief BuSO-TSO in OV 4)
    • stagiairs uit het voltijds beroepssecundair onderwijs (BSO, inclusief BuSO OV 2, OV 3 en BuSO-BSO OV 4 en inclusief HBO verpleegkunde)
    • jongeren uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) in een voortraject
    • leerkrachten uit het voltijds technisch secundair onderwijs (TSO), het beroepssecundair onderwijs (BSO) of het deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO)
    • stagiairs van minder dan 26 jaar uit het volwassenenonderwijs
    • jongeren van minder dan 26 jaar die een (onbetaalde) stage lopen in het kader van een Syntra-opleiding
    • jongeren van minder dan 26 jaar die een bedrijfsstage lopen in het kader van een beroepsopleiding onder de verantwoordelijkheid van de VDAB, Actiris, Bruxelles-Formation, de FOREM of het ADG 

Voor de mentors

De werkgever kan enkel een doelgroepvermindering krijgen voor mentors die:

  • ten minste 5 jaar professionele ervaring hebben in het beroep dat geheel of gedeeltelijk aangeleerd wordt in het kader van de stage of opleiding
  • in het bezit zijn van

De doelgroepvermindering wordt dus niet zomaar gegeven aan werknemers “die al lang met opleiding bezig zijn” in de onderneming.

Formaliteiten vooraf

Voor leerlingen/cursisten/stagiairs die de werkgever moet aangeven in Dimona of Dimona + DmfA

Geen bijzondere formaliteiten.
De werkgever sluit met de jongere gewoon de overeenkomst die ze van plan zijn te sluiten (leerovereenkomst, arbeidsovereenkomst, opleidingsovereenkomst, omschakelingsovereenkomst, beroepsinlevingsovereenkomst, IBO-overeenkomst of instapstageovereenkomst).
Bij de indiensttreding doet de werkgever de normale Dimona-aangifte.
Voor de overeenkomsten die een DmfA vereisen gebeurt deze aangifte ook volgens de normale gang van zaken (voor ieder kwartaal, zolang de overeenkomst loopt).

Voor leerlingen/cursisten/stagiairs die de werkgever niet moet aangeven in Dimona

Om voor deze categorie stagiairs een doelgroepvermindering voor “mentors” te kunnen krijgen moet de werkgever vooraf een overeenkomst sluiten met de instelling(en) of instantie(s) op die verantwoordelijk zijn voor de stages.

Naargelang het type van die stages kan die instelling of instantie bijvoorbeeld een secundaire technische school, een centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs, de VDAB, Syntra Vlaanderen of een centrum voor volwassenenonderwijs zijn.

De werkgever kan zo’n overeenkomst met één enkele instelling of instantie sluiten of met meerdere tegelijk.

Met zo’n overeenkomst legt hij zijn verbintenis om stages te organiseren in zijn onderneming of instelling vast op papier.

De overeenkomst moet hierover duidelijk het volgende vermelden:

  • het aantal stagiairs, cursisten of leerkrachten (naargelang het geval) aan wie de werkgever de mogelijkheid geeft om tijdens de looptijd van de overeenkomst stage te lopen of een opleiding op de werkvloer te volgen
  • het totaal aantal uren dat deze stages en/of opleidingen in beslag zullen nemen tijdens de looptijd van de overeenkomst

Verder kan de overeenkomst, als men dit wenst, nadere afspraken bevatten in verband met de organisatie van de stages of opleidingen, de pedagogische omkadering en de spreiding in de tijd van de stages en opleidingen.

Duur van de overeenkomst

De overeenkomst kan gesloten voor een duur van maximum 1 jaar. Korter mag, langer niet.

Als men een overeenkomst sluit van meer dan 1 jaar, dan behandelen de bevoegde diensten ze als een overeenkomst van 1 jaar.

De begin- en einddatum van de overeenkomst moeten samenvallen met het begin (1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober) en het einde van een kalenderkwartaal (31 maart, 30 juni, 30 september of 31 december). Dit is omdat RSZ-aangiftes, bijdragen en verminderingen altijd per kwartaal verwerkt worden.
Voorbeelden: 01-01-2015 tot 31-12-2015, 01-07-2015 tot 31-03-2016, 01-10-2015 tot 30-6-2016.
Niet goed: 01-09-2014 tot 30-06-2015 (begin schooljaar ≠ begin van een kwartaal).

Vormvereisten

De werkgever en de onderwijs- of opleidingsverstrekker stellen de overeenkomst op, dateren en ondertekenen ze.
Dit moet uiterlijk op de laatste dag van het eerste kwartaal gebeuren waarin de overeenkomst begint te lopen. Bv.: een overeenkomst van 01-07-2014 tot 30-06-2015 moet ten laatste op 30-09-2014 opgesteld, gedateerd en ondertekend worden.
Als zo’n overeenkomst te laat ondertekend wordt, dan is ze ongeldig.

Voor het overige gelden geen bijzondere vormvoorschriften: van zodra de hierboven reeds vermelde essentiële elementen aanwezig zijn, is de overeenkomst geldig.

Voortzetting of hernieuwing

Wanneer een overeenkomst afloopt kan de werkgever zonder problemen een nieuwe sluiten, met dezelfde onderwijs- of opleidingsverstrekker(s) of met (een) andere.
Op het aantal opeenvolgende overeenkomsten staat geen beperking.

Het is evengoed mogelijk dat een werkgever pas na verloop van enige tijd (1 jaar, 3 jaar,…) een nieuwe overeenkomst aangaat.

Voor elke tweede of volgende overeenkomst gelden dezelfde regels als voor een eerste overeenkomst (zie hierboven).

Controle van het engagement

  • de werkgever sluit onmiddellijk een nieuwe overeenkomst:
    Als de werkgever al een of meer vorige overeenkomsten heeft gehad, dan moet bij elke nieuwe overeenkomst een verklaring zitten van elk van de onderwijs- of opleidingsverstrekkers die bij die vorige overeenkomst(en) betrokken waren.
    Met deze verklaring moeten ze bevestigen of ontkennen dat de werkgever zijn engagementen, zoals vastgelegd in die vorige overeenkomst(en), effectief is nagekomen.
    Als zo’n verklaring niet bij de nieuwe overeenkomst gevoegd wordt, dan is die nieuwe overeenkomst ongeldig.
  • de werkgever sluit niet onmiddellijk een nieuwe overeenkomst:
    Als een overeenkomst afloopt en de werkgever niet van plan is om onmiddellijk een nieuwe overeenkomst te sluiten, dan moet hij apart een verklaring van elk van de onderwijs- of opleidingsverstrekkers die bij die vorige overeenkomst(en) betrokken waren aan de bevoegde dienst bezorgen.
    Hij heeft hiervoor 3 maanden de tijd.

De gegevens en documenten die de werkgever aan de bevoegde dienst moet bezorgen

Om in aanmerking te komen voor de doelgroepvermindering voor “mentors” moet de werkgever de volgende gegevens en documenten bezorgen bij de bevoegde dienst.

  • zijn identificatiegegevens (benaming, adres, KBO-, RSZ- of RSZPPO-nummer)
  • de identificatiegegevens van de werknemers die hij inzet als mentor (naam, voornaam en rijksregisternummer/INSZ)
  • voor elke mentor: het bewijs van de minimaal vereiste praktijkervaring;
    kunnen hiervoor dienen:
    • een attest van de werkgever zelf en/of
    • een attest van een of meer vroegere werkgevers en/of
    • een kopie van de inschrijving van de mentor in de Kruispuntbank van Ondernemingen, indien hij vóór zijn activiteit als werknemer in loondienst een zelfstandige activiteit uitoefende in het beroep waarvoor de ervaring moet aangetoond worden 
  • voor elke mentor:
    • ofwel een kopie van het getuigschrift van de gevolgde mentoropleiding
    • ofwel een kopie van het ervaringsbewijs dat zijn competenties als mentor aantoont
    • ofwel een kopie van zijn pedagogisch diploma;
      zo’n diploma moet betrekking hebben op de competenties van het beroep of de functie waarin de mentor opleiding geeft 
  • als de werkgever een overeenkomst sloot met met een of meer onderwijs- of opleidingsverstrekkers, over de opleiding van “niet-Dimona-stagiairs”: een kopie van die overeenkomst(en);
    als deze overeenkomst aansluit op een vorige, dan moet hier ook de verklaring van de betrokken onderwijs- of opleidingsvertrekker(s) bij zitten, om te kunnen zien of de werkgever zijn verbintenissen van die vorige overeenkomst is nagekomen.  

Het dossier moet bij deze directie toekomen, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de werkgever voor het eerst de doelgroepvermindering vraagt voor de mentor(s) van wie hij de gegevens meedeelt in dat dossier.
Als de werkgever het dossier te laat binnenstuurt, dan kan hij de doelgroepvermindering pas ten vroegste krijgen vanaf het kwartaal dat volgt op de datum waarop het dossier toekomt.

Als het dossier in orde is maakt deze directie de nuttige gegevens over aan de RSZ of de RSZPPO (naargelang het type werkgever), zodanig dat die de gevraagde doelgroepverminderingen voor “mentors” met kennis van zaken kan controleren.

De aanduiding van de vermindering in de multifunctionele aangifte (DmfA of DmfAPPL)

 
De werkgever moet in zijn kwartaalaangifte aan de RSZ (DmfA) of RSZPPO (DmfAPPL) de doelgroepvermindering aanduiden volgens de gebruikelijke techniek (verminderingscode 3800).

Meer informatie hierover vindt u in de instructies van de betrokken inningsdienst aan de bij hem aangesloten werkgevers:

De toekenning van de doelgroepvermindering

Beperkingen

De werkgever kan misschien wel een aantal werknemers inzetten als begeleider van stagiairs, leerlingen of cursisten op de werkvloer, en misschien voldoen al deze mentors wel aan alle toekenningsvoorwaarden, maar dat wil niet per se zeggen dat de werkgever dan voor elk van deze mentors een doelgroepvermindering krijgt.

Er zijn namelijk beperkingen:

  • voor de jongeren die de werkgever moet aangeven in Dimona en/of DmfA:
    • het aantal stagiairs/personen in opleiding : de werkgever kan slechts 1 doelgroepvermindering krijgen per begonnen schijf van 5 jongeren in opleiding.
       Voorbeelden:
      2 leerlingen Syntra = 1 vermindering
      4 “industriële” leerlingen + 4 IBO’s (<26 jaar) = 2 verminderingen.
     
  • voor de jongeren en leerkrachten die de werkgever niet moet aangeven:
    •  het aantal stagiairs/personen in opleiding : zelfde principe als voor de andere groep: de werkgever kan slechts 1 doelgroepvermindering krijgen per begonnen schijf van 5 stagiairs/personen in opleiding.
    •  het aantal uren stage of opleiding die vermeld worden in de overeenkomsttussen de werkgever en de onderwijs- of opleidingsverstrekker(s): de werkgever kan slechts 1 doelgroepvermindering krijgen per volledige schijf van 400 uren voor overeenkomsten van 1 jaar (4 kwartalen).
       
      Duurt de overeenkomst minder lang, dan gaat het om een schijf van 100 uren, vermenigvuldigd met het aantal kwartalen waarin de overeenkomst loopt.
       
      Wiskundig uitgedrukt:
      (V = aantal toegekende verminderingen;
      U = aantal uren stage of opleiding, vermeld in de overeenkomst
      K = aantal kwartalen waarin de overeenkomst geldt)

      V = U/(100 x K)
       
      het resultaat van deze deling wordt altijd afgerond naar de lagere eenheid.
       
      De werkelijke spreiding van de uren stage of opleiding in de tijd en de verdeling daarvan over de verschillende kwartalen die gedekt worden door de overeenkomst, hebben geen invloed op de manier waarop de doelgroepvermindering toegekend wordt.
       
      Voorbeelden:
      260 uren voor een overeenkomst van 1 jaar geven geen recht op vermindering (260 / (100 x 4) = 0,65 --> 0)
      260 uren voor een overeenkomst van ½ jaar (2 kwartalen) geven recht op 1 vermindering in elk van de 2 kwartalen van dat halfjaar (260 / (100 x 2) = 1,3 --> 1)
      600 uren voor een overeenkomst van 1 jaar geven recht op 1 vermindering in elk van de 4 kwartalen van dat jaar (600 / (100 x 4) = 1,5 --> 1)
      600 uren voor een overeenkomst van ½ jaar (2 kwartalen) geven recht op 3 verminderingen in elk van de 2 kwartalen van dat halfjaar (600 / (100 x 2) = 3 --> 3)
       
    • uiteindelijk resultaat op basis van deze 2 waarden: de laagste waarde bepaalt het aantal verminderingen.

      Voorbeelden:
       Duur van de overeenkomst  Aantal stagiairs/
      leerlingen/cursisten
       Aantal uren stage
      of opleiding
       Maximum aantal toegestane
      verminderingen in elk gedekt kwartaal
       4 kwartalen  2  600  1
       4 kwartalen  3  3000  1
       3 kwartalen  8  1200  2
       2 kwartalen  6  300  1

      combinatie van meerdere overlappende overeenkomsten:

      de berekening van het maximum aantal verminderingen gebeurt apart voor elk kwartaal waarin de overeenkomst overlappen:

      (1) voor elke overeenkomst die in het kwartaal in kwestie loopt: het aantal uren stage/opleiding delen door het aantal kwartalen waarin de overeenkomst loopt (niet afronden)
      (2) de resultaten die men zo voor elke overeenkomst krijgt, samentellen; zo krijgen we het aantal uren stage/opleiding van alle overlappende overeenkomsten samen voor dat kwartaal in kwestie;
      (3) het resultaat van de optelsom in (2) delen door 100 en afronden naar beneden;
      (4) het aantal stagiairs/personen in opleiding van alle overeenkomsten samentellen, delen door 5 en afronden naar boven
      (5) het maximum aantal verminderingen in het kwartaal in kwestie is gelijk aan het laagste van de resultaten van de bewerkingen in (3) en (4)
       
    • de werkgever heeft “Dimona/DmfA-jongeren” samen met “niet-Dimona-stagiairs”:

      de berekening van het maximum aantal verminderingen apart maken, per categorie. Ook hier altijd per kwartaal rekenen.
      De resultaten van de 2 bewerkingen worden dan gewoon samengeteld.

Tenslotte:
het aantal doelgroepverminderingen kan natuurlijk nooit groter zijn dan het aantal mentors dat de werkgever in dienst heeft.
PM: mentors = de werknemers die aan alle mentorvoorwaarden voldoen en die de werkgever als mentor bij de bevoegde dienst heeft aangegeven.

Periode van de vermindering

  • voor “Dimona/DmfA-jongeren”:

    de werkgever kan de doelgroepvermindering vragen vanaf het kwartaal van indiensttreding (Dimona IN) tot en met het kwartaal van uitdiensttreding (Dimona OUT), waarbij het eerste en het laatste kwartaal volledig meetellen
    (er wordt geen rekening gehouden met het feit dat in- of uitdiensttredingen niet noodzakelijk samenvallen met de eerste of laatste dag van een kwartaal)
     
  • voor “niet-Dimona-stagiairs”:

    de werkgever kan de doelgroepvermindering vragen voor elk kwartaal dat in de geldigheidsperiode ligt van zijn overeenkomst(en) met de betrokken onderwijs- of opleidingsverstrekker(s)

Maar…: als de werkgever zijn “mentordossier” niet op tijd binnenstuurt – dit wil zeggen: niet voor het einde van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin hij de vermindering kan beginnen toepassen (begonnen overeenkomst met onderwijs- of opleidingsverstrekker(s) en/of indiensttreding van een “Dimona-DmfA-jongere”) – dan kan hij de vermindering maar toepassen vanaf het kwartaal waarin zijn dossier bij die directie toekomt.

Voor dossiers die niet in orde zijn geldt uiteraard hetzelfde: de werkgever mag de vermindering maar toepassen vanaf het kwartaal waarin de voornoemde directie zijn dossier OK heeft bevonden.

Mentors voor wie de vermindering toegekend wordt

De doelgroepvermindering kan enkel toegekend worden op de socialezekerheidsbijdragen die de werkgever verschuldigd is voor de werknemers die aan de gestelde voorwaarden voldoen en die hij als “mentor” heeft aangegeven.

Voor het overige is de werkgever vrij om in elk kwartaal waarin hij de doelgroepvermindering kan toepassen (zie hierboven: Periode van de vermindering), te kiezen voor welke “mentor(s)” hij dit precies doet op zijn kwartaalaangifte, in het geval dat hij over verscheidene werknemers beschikt die hij kan inzetten voor de begeleiding van stages of opleidingen, die aan de voorwaarden voldoen en die aan voornoemde directie werden aangegeven. Anders gezegd: de werkgever mag vrij “van mentors wisselen”, bijvoorbeeld in functie van het soort stages of opleidingen die in hij de loop van het jaar in zijn onderneming of instelling laat doorgaan. Niet alle stages of opleidingen kunnen door dezelfde mentor(s) begeleid worden…

Bovendien hoeft de werkgever zich niet te beperken tot de “mentors” die hij bij zijn allereerste “aanvraagdossier” heeft meegedeeld. Hij heeft het recht om later, op om het even welk ogenblik, bijkomende werknemers als “mentor” aan te geven bij deze directie, van zodra zij aan de opgelegde voorwaarden voldoen. Voornoemde directie zorgt er dan voor dat hun gegevens aan de bevoegde inningsdienst meegedeeld worden, zodanig dat deze weet vanaf welk kwartaal de doelgroepvermindering toegepast mag worden op de werkgeversbijdragen voor die nieuwe “mentors” (uiteraard wanneer voldaan is aan alle andere toekenningsvoorwaarden).

Bedrag van de vermindering

Het basisverminderingsbedrag is 800 euro per kwartaal.

Als het bedrag van de verschuldigde bijdragen kleiner is dan dit bedrag, dan is het bedrag van de werkelijk toegekende vermindering natuurlijk maar even groot.

Hetzelfde geldt wanneer de doelgroepvermindering voor “mentors” gecombineerd wordt met een structurele bijdragevermindering: als het normaal verschuldigd bijdragebedrag kleiner is dan het bedrag van die twee verminderingen samen, dan wordt de toegekende vermindering beperkt tot dat verschuldigd bijdragebedrag.

Als de mentor geen volledige prestaties heeft in een bepaald kwartaal (bv. bij halftijds werken of wanneer hij maar gedurende 1 maand gewerkt heeft in dat kwartaal), dan wordt het bedrag van de (combinatie van) vermindering(en) ook aangepast.

De volledige technische uitleg hierover kunt u nalezen in de instructies van de betrokken inningsdienst aan de bij hem aangesloten werkgevers:

Annulering van de vermindering

De bevoegde inningsdienst zal doelgroepverminderingen voor “mentors” die via de kwartaalaangifte gevraagd werden, annuleren wanneer hij vanwege de bevoegde dienst niet de nodige gegevens omtrent die vermindering kreeg.

Volgende fouten zijn mogelijk, bij wijze van voorbeeld:

  • de vermindering wordt gevraagd in een kwartaal dat niet binnen de geldigheidsduur valt van een overeenkomst tussen de betrokken werkgever en onderwijs- of opleidingsverstrekker(s)
  • de vermindering wordt gevraagd voor een werknemer die niet op de lijst van mentors voorkomt zoals voornoemde directie die aan de inningsdienst bezorgde
  • de werkgever vraagt de vermindering voor te veel mentors.

De doelgroepvermindering wordt ook geannuleerd wanneer een werkgever na afloop van een overeenkomst met (een) onderwijs- of opleidingsverstrekker(s), geen verklaring van die onderwijs- of opleidingsverstrekker(s) aan voornoemde directie bezorgt om aan te tonen dat hij de engagementen uit die overeenkomst is nagekomen.
De werkgever heeft tijd tot de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het einde van de overeenkomst om die verklaring aan voornoemde directie te bezorgen (= 3 maanden).
Elke annulering heeft betrekking op alle mentorverminderingen die de werkgever voor “niet-Dimona-stagiairs” heeft toegepast in alle kwartalen die door de afgelopen overeenkomst gedekt worden.

Annulering heeft als gevolg dat de inningsdienst aan de werkgever vraagt om het bedrag van de onterecht toegepaste verminderingen toch nog te betalen.

De combinatie van de doelgroepvermindering “mentors” met de vrijstelling inzake verplichte tewerkstelling van jongeren (startbanenstelsel) op basis van het aanbieden van stageplaatsen

Werkgevers die onderworpen zijn aan de “startbaanverplichting” (>= 50 werknemers op 30 juni van het voorgaand jaar) en die van plan zijn gebruik te maken van de doelgroepvermindering voor “mentors”, kunnen dit in bepaalde gevallen combineren met een gedeeltelijke vrijstelling van die verplichting op basis van het aanbieden van stageplaatsen.

Om voor deze vrijstelling in aanmerking te komen, moet het aantal stageplaatsen minstens gelijk zijn aan 2/3 van de jongerenverplichting van de werkgever. De toegekende vrijstelling bedraagt 1/3 van die verplichting.

Sommige stages die in aanmerking genomen worden voor de toekenning van de doelgroepvermindering voor “mentors” kunnen ook in rekening gebracht worden voor het verkrijgen van deze vrijstelling.

Het gaat om de stages of opleidingen van jongeren - dus niet de leerkrachten die stage lopen - waarbij deze jongeren niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid, voor wie dus geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd zijn en die dus ook niet moeten opgenomen worden in de kwartaalaangifte (DmfA of DmfAPPL), namelijk:

  • de stagiairs uit het voltijds TSO en BSO
  • de jonge werkzoekenden (<26 jaar) in een IBO of een instapstage
  • de jongeren (<26 jaar) uit het volwassenenonderwijs in een onbezoldigde stage
  • de jongeren (<26 jaar) in een onbezoldigde stage in het kader van een beroepsopleiding (VDAB, Actiris, Bruxelles-Formation, FOREM of ADG), een Syntra-opleiding of een andere erkende opleiding.

Voor diegenen die gebruik willen maken van de gecombineerde voordelen, voorziet de modelovereenkomst een artikel 5, waarin de werkgever het aantal stageplaatsen per kalenderkwartaal moet aangeven.
Op die manier moet hij slechts 1 overeenkomst opstellen voor beide voordelen.

Om de vrijstelling te kunnen krijgen moet de werkgever wel nog een apart aanvraagformulier (PDF, 58 KB) indienen.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites