NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Beroepsinlevingsovereenkomst

 

/uploadedImages/A-Z/picto_6.jpgOpgelet!  De informatie op deze pagina gaat over bevoegdheden die, geheel of gedeeltelijk, overgedragen werden naar de gemeenschappen en gewesten.  

De bestaande regelgeving blijft gelden tot een gemeenschap of gewest ze wijzigt. 

Sinds 1 april 2015 kan u voor meer informatie terecht bij de bevoegde dienst:  

 

De beroepsinlevingsovereenkomst wordt in artikel 104 van de programmawet van 2 augustus 2002 gedefinieerd als zijnde de overeenkomst waarbij een persoon, stagiair genoemd, in het kader van zijn opleiding kennis of vaardigheden verwerft bij een werkgever door het uitvoeren van arbeidsprestaties.

In tegenstelling tot de arbeidsovereenkomst is het voorwerp van deze overeenkomst niet het leveren van arbeidsprestaties tegen loon in een band van ondergeschiktheid ten overstaan van een werkgever, maar wel de opleiding, namelijk het leren van praktische vaardigheden door zich "in te leven" in het ondernemingsleven en door taken uit te voeren die kunnen opgenomen worden in het produktieproces van de onderneming.

Vóór de inwerkingtreding van de  bepalingen was er reeds een zekere bescherming voor wie een stage in een onderneming volgde. In het arbeidsrecht wordt het toepassingsgebied van bepaalde reglementeringen inderdaad uitgebreid naar de personen die arbeidsprestaties verrichten zonder verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst, hetgeen het geval is bij werknemers in beroepsinleving omdat ze bij het produktieproces betrokken worden.
De arbeidswet van 16 maart 1971, de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de wetgeving inzake het bijhouden van sociale documenten, stelden deze personen met werknemers gelijk. De bepalingen bijvoorbeeld inzake arbeidsduur, zondagsrust en nachtarbeid zijn reeds toepasselijk op deze personen.   


Toepassingsgebied

Artikel 104 van de programmawet sluit een bepaald aantal opleidingsactiviteiten, die in de onderneming plaatsvinden, uit van de toepassing van de bepalingen inzake de beroepsinlevingsovereenkomst. Het was immers niet de bedoeling van de wetgever om afbreuk te doen aan de verschillende reglementeringen die deze soort praktische opleidingen bij een werkgever organiseren en die tot de bevoegdheid behoren van de overheden van gewesten of gemeenschappen krachtens hun eigen bevoegdheid.

Worden zo volledig uitgesloten :

  • de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; het is inderdaad niet uitzonderlijk dat opleidingen georganiseerd worden voor werknemers met een arbeidsovereenkomst op verschillende ogenblikken van hun beroepsleven; deze opleidingen maken noodzakelijk deel uit van de arbeidsovereenkomst en vallen dus niet onder het toepassingsgebied van de beroepsinlevingsovereenkomst;
     
  • de arbeidsprestaties uitgevoerd door leerlingen of studenten in het kader van een gevolgde opleiding in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum, voor zover de arbeidsprestaties 60 dagen bij eenzelfde werkgever of stagemeester niet overschrijden in de loop van een school- of academiejaar wat de onderwijsinstellingen betreft, in de loop van een kalenderjaar wat de opleidingscentra betreft; het betreft hier bijvoorbeeld stages uitgevoerd door de leerlingen en studenten in de loop van hun studieprogramma;
     
  • de stages waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid in het kader van een opleiding die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid; het betreft hier bijvoorbeeld het leerlingstelsel in de middenstand en het industrieel leerlingstelsel;
     
  • de stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen; zo bijvoorbeeld stages om advokaat, architect of bedrijfsrevisor te worden.

Bepaalde soorten stages in een onderneming zijn daarentegen enkel het voorwerp van een gedeeltelijke uitsluiting.

In deze categorie worden de bepalingen inzake opleiding in de onderneming bedoeld ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in de schoot van het paritair orgaan. Het betreft hier inzonderheid alle sectoriële opleidingen georganiseerd door de paritaire comités en de individuele beroepsopleiding.

Voor deze stages is enerzijds de bepaling van artikel 107, §2, betreffende de aansprakelijkheid van de stagiair van toepassing en anderzijds zullen deze systemen vanaf 1 september 2004 aan volgende minimale voorwaarden moeten beantwoorden:

  • de overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld en ten minste vermelden:
     
    • het principe van de begeleiding;
    • de duur van de begeleiding;
    • de modaliteiten volgens dewelke de partijen een einde kunnen maken aan de overeenkomst;
    • de modaliteiten inzake betaling van de vergoeding;
       
     
  • het bedrag van de vergoeding, verschuldigd aan de stagiair die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die zijn derde jaar opleiding heeft beëindigd, mag niet lager zijn dan één derde van het gemiddeld maandelijks minimuminkomen zoals vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad. Het bedrag van deze vergoeding kan deels bestaan uit een sociale uitkering. Deze bepaling laat toe tegemoet te komen aan alle systemen ingesteld door de Gemeenschappen en de Gewesten, inzonderheid het "opleidings- en inschakelingsplan", de individuele beroepsopleiding die de werkloosheidsuitkeringen integreren in de voorziene vergoeding.

 

Voorwaarden die toepasselijk zijn op de beroepsinlevingsovereenkomsten die onder het toepassingsgebied vallen van de programmawet van 2 augustus 2002

De beroepsinlevingsovereenkomsten die dus niet geheel of gedeeltelijk uitgesloten zijn, zullen derhalve sinds 1 september 2002 moeten voldoen aan de door deze nieuwe wetgeving vastgestelde voorwaarden.

Het zal hier voornamelijk gaan om stageovereenkomsten in ondernemingen die vrijwillig gesloten werden door een werkgever en een persoon die zich wenst te vormen of praktische ervaring te verwerven.

De voorwaarden vereist bij het verloop van deze stages zijn de volgende:

  • de vereiste van een geschrift opgesteld uiterlijk op het tijdstip van de aanvang van de uitvoering van de stage, waarin de beroepsinlevingsovereenkomst voor iedere werknemer individueel wordt vastgesteld.
    Voor zover deze opleiding in de onderneming niet georganiseerd wordt op initiatief of onder de verantwoordelijkheid van een onderwijsinstelling of opleidingscentrum, afhangend van of erkend door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest, moet dit geschrift bovendien het volgende vermelden:
     
    • de identiteit van de partijen;
    • de plaats van uitvoering van de overeenkomst;
    • het voorwerp en de duur van de beroepsinlevingsovereenkomst;
    • de dagelijkse en wekelijkse duur van aanwezigheid in de onderneming;
    • de overeengekomen vergoeding of de berekeningswijze en -basis;
    • de wijze waarop een einde kan worden gemaakt aan de beroepsinlevingsovereenkomst;
    • het overeengekomen en door de gemeenschappen of de gewesten in functie van hun eigen bevoegdheid erkend opleidingsplan (de erkenning van de opleidingsplannen behoort derhalve niet tot de bevoegdheid van het Federaal Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid). 

Een koninklijk besluit kan deze vermeldingen wijzigen met uitzondering van de vermelding die betrekking heeft op het opleidingsplan en de erkenning ervan.

  • de vergoeding van de stagiair: de vergoeding van de stagiair: het doel van een bedrijfsstage bestaat erin de stagiair een  praktische opleiding te laten doorlopen en derhalve heeft de stagiair geen recht op loon dat de tegenwaarde zou zijn van zijn arbeidsprestatie. Niettemin zal hem een vergoeding toegekend worden. Deze wordt vastgesteld bij koninklijk besluit van 11 maart 2003 en mag niet lager zijn dan het bedrag van de vergoeding die aan een industriële leerling wordt toegekend. De vergoeding komt overeen met een percentage dat verschilt naargelang de leeftijd van de jongere en dat wordt berekend op de helft van het gemiddeld maandelijks minimuminkomen.

    Sinds 1 december 2012 gelden volgende bedragen als minimumvergoeding:

    Vergoeding van de stagiair
    Leeltijd  Minimumvergoeding 
    15 jaar  € 480,60 (1) 
    16 jaar  € 525,70 (1) 
    17 jaar  € 570,70 (1) 
    18 jaar  € 615,80 (1) 
    19 jaar  € 660,80 (1) 
    20 jaar  € 705,90 (1) 
    21 jaar  en +  € 751 (1) 

     (1) Afgerond op het hogere veelvoud van 10 cent

    Voor meer inlichtingen betreffende de onderwerping aan het sociaal zekerheidsstelsel, gelieve de website van de RSZ te raadplagen (koninlijk besluit van 11/02/2013, in werking getreden sinds 01/01/2013). 

In het kader van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt deze vergoeding beschouwd als loon en geniet het dus dezelfde bescherming. 

  • de aansprakelijkheid van de stagiair: de regels bepaald in artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten zijn eveneens van toepassing op de beroepsinlevingsovereenkomst; de stagiair zal dus enkel instaan voor de schade berokkend aan de werkgever of aan een derde in het kader van de uitvoering van de beroepsinlevingsovereenkomst in geval hem bedrog, zware schuld of lichte schuld met een gewoonlijk karakter kan worden verweten. 

Gelijkstelling van de inlevingsovereenkomst met een sociaal document

De programmawet maakt van de beroepsinlevingsovereenkomst een sociaal document. dit betekent dus dat de overeenkomst, opgesteld overeenkomstig de wettelijke voorschriften, zal moeten bewaard worden gedurende een termijn die bij koninklijk besluit is vastgesteld op vijf jaar.
Het niet-bijhouden en/of niet bewaren van een sociaal document zijn inbreuken die strafrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd of die kunnen aanleinding geven tot de betaling van administratieve geldboeten.

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites