NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Maatregelen voor deeltijdwerkers

 

De wet van 5 maart 2002 betreffende het beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers heeft de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid in Belgisch recht omgezet. Deze richtlijn zag het licht in navolging van de tweede raamovereenkomst die door de Europese sociale partners werd afgesloten.

De wet van 5 maart 2002 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 maart 2002 en is in werking getreden op 23 maart 2002.

De wet voorziet in een algemeen beginsel van non-discriminatie dat van toepassing is op deeltijdwerkers en op hun werkgever (natuurlijke of rechtspersoon).

 

Begrip deeltijdse werknemer

De werknemer wordt gedefinieerd als de persoon die, krachtens een arbeidsovereenkomst, tegen loon arbeid verricht onder het gezag van een ander persoon.

De deeltijdse werknemer wordt gedefinieerd als een werknemer wiens normale arbeidsduur, berekend op weekbasis of als gemiddelde over een werkperiode van maximaal een jaar, minder is dan die van een voltijdse werknemer in een vergelijkbare situatie.

De normale arbeidsduur waarnaar verwezen wordt is de duur van de arbeidsprestaties die worden geleverd in het raam van de uitvoering van de overeenkomst en niet de duur van de overeenkomst zelf.

De vergelijking met voltijdwerkers geschiedt:

  • enerzijds, op het vlak van de arbeidsovereenkomst en de aard van de arbeid of het beroep,
  • en anderzijds, op het vlak van de plaats van tewerkstelling.

De referentiepersoon is de voltijdse werknemer:

  • die dezelfde soort arbeidsovereenkomst heeft en hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent;
  • en die werkzaam is hetzij in dezelfde vestiging, hetzij bij ontstentenis van voltijders in deze vestiging, in dezelfde onderneming, hetzij bij ontstentenis van voltijders in deze onderneming, in dezelfde bedrijfstak als de deeltijdse werknemer.

Er dient dus te worden verwezen naar een voltijdwerker die werkzaam is of werkzaam zou zijn onder dezelfde arbeidsvoorwaarden (zelfde functie, zelfde anciënniteit, zelfde kwalificaties, …) als die van de deeltijdwerker, met als enige verschil dat deze laatste een arbeidsduur heeft die minder is dan die van de eerste. 

 

Het beginsel van non-discriminatie

De wet van 5 maart 2002 heeft een algemeen beginsel van non-discriminatie ingevoerd volgens hetwelk deeltijdse werknemers op voet van gelijkheid moeten worden behandeld met hun voltijdse collega's voor wat betreft de arbeidsvoorwaarden.

Wanneer zulks passend is, kunnen de rechten van de deeltijdse werknemers worden vastgesteld in verhouding tot hun arbeidsduur.

Het beginsel van non-discriminatie heeft een algemene draagwijdte: het is van toepassing op alle rechtsbronnen binnen het arbeidsrecht.

De bestaande en toekomstige wettelijke bepalingen dienen voortaan te worden geïnterpreteerd in het licht van dit algemeen beginsel van non-discriminatie ten gunste van deeltijdwerkers, dat als zodanig ook geldt ten aanzien van de reglementaire bepalingen (koninklijke en ministeriële besluiten) en conventionele bepalingen (de collectieve arbeidsovereenkomsten, het arbeidsreglement, …). 

 

Uitzonderingen: objectieve redenen

  • Deeltijdwerkers kunnen verschillend worden behandeld in vergelijking met voltijdse werknemers voor zover dit verschil in behandeling gefundeerd is op objectieve redenen. Aldus kunnen wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen deeltijdwerkers verschillend behandelen zolang dit verschil in behandeling maar gefundeerd is op objectieve redenen.

    Noch de richtlijn, noch de wet van 5 maart 2002 geven een definitie van het begrip "objectieve redenen". Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen moet de controle op het bestaan van objectieve rechtvaardigingsgronden gebeuren aan de hand van het principe van de evenredigheid. Volgens het Hof is een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd in zoverre blijkt dat de regeling die zij invoert beantwoordt aan een wettige doelstelling van sociaal beleid, dat die doelstelling niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht en dat de daartoe gekozen middelen geschikt en noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van dat doel.
     
  • De wet van 5 maart 2002 bepaalt tot slot dat de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk kan worden gesteld van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning, indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is.

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites