NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Deel I : Berekening anciënniteit, tewerkstelling en loopbaan en aanrekening van het verleden

Berekening van de anciënniteit, de tewerkstelling en de loopbaan

Anciënniteit van 24 maanden voor het gemotiveerd en het niet-gemotiveerd tijdskrediet  

Om recht te hebben op tijdskrediet moet de werknemer een anciënniteit hebben van 24 maanden in de onderneming.  Dit betekent dat de werknemer verbonden moet zijn geweest door een arbeidsovereenkomst met zijn werkgever gedurende de 24 maanden die voorafgaan aan de kennisgeving.  De arbeidsregeling, voltijds of deeltijds, is hierbij niet relevant.    

Effectieve tewerkstelling voor het gemotiveerd en het niet-gemotiveerd tijdskrediet  

Om recht te hebben op een vermindering van prestaties tot de helft, moet de werknemer effectief minstens ¾-tijds hebben gewerkt tijdens de 12 voorafgaande maanden. 

Om recht te hebben op tijdskrediet in de vorm van een 1/5-loopbaanvermindering, is een effectieve voltijdse tewerkstelling tijdens de 12 voorafgaande maanden vereist. 

De voorwaarde van tewerkstelling moet vervuld zijn tijdens de periode van 12 maanden die voorafgaat aan de bij de werkgever ingediende schriftelijke aanvraag tot het nemen van tijdskrediet.     

Om uit te maken of de voorwaarde van 12 maanden tewerkstelling in een 3/4‑arbeidsregeling is vervuld, wordt rekening gehouden met de werkelijke prestaties en met bepaalde met arbeid gelijkgestelde periodes. Bepaalde andere periodes worden geneutraliseerd. 

Situaties gelijkgesteld met effectieve arbeidsprestaties 

Voor de berekening van de 12 maanden tewerkstelling wordt rekening gehouden met de volgende gelijkgestelde periodes : 

  • de periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke overmacht;
  • de dagen gedekt door een gewaarborgd dagloon;
  • de periodes van jaarlijkse vakantie;
  • de moederschapsrust, het profylactisch verlof of de verwijdering uit nachtarbeid en de tijd die noodzakelijk is voor de medische onderzoeken m.b.t. tot die twee laatste maatregelen;
  • de noodzakelijke tijd voor prenatale medische onderzoeken die niet buiten de werkuren kunnen plaatsvinden;
  • de voor een werknemer noodzakelijke tijd om te zetelen als raadsheer of rechter in sociale zaken in de arbeidshoven en ‑rechtbanken;
  • het betaald educatief verlof;
  • de afwezigheid voor het volgen van cursussen voor sociale promotie;
  • het verlof voor het uitoefenen van een politiek mandaat;
  • de afwezigheid van de werknemer wegens maatregelen van vrijheidsberoving waarvan hij het voorwerp is;
  • de periodes van militaire verplichtingen of gewetensbezwaar;
  • de periodes van klein verlet;
  • de afwezigheid om dwingende redenen;
  • het adoptieverlof (geregeld door de art.30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten);
  • het pleegzorgverlof (geregeld door art.30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten);
  • het vaderschaps- en geboorteverlof (geregeld door art.30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten);
  • de ziekteperiodes voor zover zij gedekt worden door een gewaarborgd loon;
  • de tijdelijke werkloosheid in geval van technische stoornis, slecht weder of gebrek aan werk wegens economische oorzaken;
  • de perioden van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als bepaald in artikel 23, §1 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis (crisistijdskrediet);
  • de verlofdagen toegekend in uitvoering van een collectief akkoord (bovenwettelijke feestdagen, compenserende rustdagen, ...). 

Geneutraliseerde periodes

Voor de berekening van de 12 maanden tewerkstelling worden de volgende periodes geneutraliseerd (er wordt geen rekening mee gehouden) : 

  • het verlof voor palliatieve zorgen;
  • het ouderschapsverlof (C.A.O. nr. 64 en K.B. 29 oktober 1997);
  • de loopbaanonderbreking voor bijstand of zorgverstrekking aan een ernstig ziek lid van het gezin of van de familie;
  • de periodes van verlof zonder wedde;
  • de dagen van staking of lock‑out;
  • de periode van ziekte of ongeval van gemeen recht die volgt op de door het gewaarborgd loon gedekte periode, voor een duur van maximum 5 maanden;
  • de periode van volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid omwille van een beroepsziekte of van een arbeidsongeval die volgt op de door het gewaarborgd loon gedekte periode, voor een duur van maximum 11 maanden.
  • de periodes van tijdskrediet (volledige onderbreking, halftijdse of 1/5-loopbaanvermindering) genomen op basis van de CAO nr.103 of de CAO nr.77bis;
  • de periodes van crisistijdskrediet in de vorm van een halftijdse of 1/5-loopbaanvermindering, genomen met toepassing van de wet van 19 juni 2009;
  • de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van een herstructureringsplan op basis waarvan de Vlaamse overheden tijdelijk een overbruggingspremie toekennen (besluit van de Vlaamse regering van 1 maart 2002, artikel 13). 

Alle andere periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of van vermindering van arbeidsprestaties, die geen gelijkstelling of neutralisatie tot gevolg hebben, onderbreken de periode van 12 maanden. 

Zo zullen bijvoorbeeld de periodes van volledige schorsing in het kader van loopbaanonderbreking (het stelsel van loopbaanonderbreking dat van toepassing was op de privé-sector voor 1 januari 2002) de periode van 12 maanden onderbreken. Dat is ook het geval voor extra-legale verlofdagen die niet gekaderd zijn binnen een collectief akkoord. Periodes van tijdskrediet, ongeacht de opnamevorm, verlengen de periode van 12 maanden.    

Voorbeelden 

Een voltijdse werknemer doet op 1 april 2013 een aanvraag tot vermindering van arbeidsprestaties tot de helft in het kader van het tijdskrediet zonder motief.   De anciënniteits- en loopbaanvoorwaarde is vervuld. Qua tewerkstellingsvoorwaarde dient deze werknemer effectief ¾-tijds te  hebben gewerkt tijdens de 12 maanden die de kennisgeving voorafgaan (periode van 1 april 2012 tot 31 maart 2013).                  
Tijdens deze periode van 12 maanden heeft de werknemer jaarlijkse vakantie genomen en een periode van 6 maanden volledige loopbaanonderbreking in het kader van CAO nr.103.  De jaarlijkse vakantie is gelijkgesteld. De periode van 6 maanden volledige loopbaanonderbreking verlengt de periode van 12 maanden. De te rechtvaardigen periode bedraagt bijgevolg 18 maanden (periode van 1 november 2011 tot 31 maart 2013).

Een werknemer doet op 1 maart 2013 een aanvraag tot vermindering van arbeidsprestaties tot de helft in het kader van het tijdskrediet zonder motief. De anciënniteits- en loopbaanvoorwaarde is vervuld.  Qua tewerkstellingsvoorwaarde dient deze werknemer effectief ¾-tijds te hebben gewerkt tijdens de 12 maanden die de schriftelijke kennisgeving voorafgaan.
Deze werknemer heeft jaarlijkse vakantie genomen tijdens de maand juli en ouderschapsverlof (volledige onderbreking) van 1 oktober 2012 tot 31 december 2012. Om de arbeidsregeling te berekenen voor de 12 maanden die de kennisgeving voorafgaan wordt de periode van jaarlijkse vakantie gelijkgesteld met een gewerkte periode; de periode van ouderschapsverlof wordt evenwel geneutraliseerd, met als gevolg dat voor de betrokken werknemer de te rechtvaardigen periode (van 12 maanden) verlengd zal worden met 3 maanden (12 maanden + 3 maanden), dus van 1 december 2011 tot 28 februari 2013.

Een werknemer doet op 1 februari 2013 een aanvraag tot vermindering van de arbeidsprestaties met 1/5 in het kader van het tijdskrediet (zonder motief). Deze werknemer dient dus effectieve voltijdse prestaties te hebben geleverd tijdens de 12 maanden die de schriftelijke kennisgeving voorafgaan (dit is vanaf 1 februari 2012 tot en met 31 januari 2013).  In 2012 is de betrokken werknemer arbeidsongeschikt geweest (van 1 april t.e.m. 30 september), aansluitend gevolgd door een periode van 3 maanden progressieve werkhervatting (gekaderd binnen art. 100, § 2 van de wet van 14 juli 1994).    Qua prestaties tijdens de 12 maanden die de kennisgeving voorafgaan, vormen de periode van arbeidsongeschiktheid niet gedekt door gewaarborgd loon (van 1 mei t.e.m. 30 september) en de periode van progressieve werkhervatting, geneutraliseerde periodes, met als gevolg dat voor de betrokken werknemer de te rechtvaardigen periode (van 12 maanden)  wordt verlengd met 8 maanden (12 maanden + 8 maanden), dus van 1 juni 2011 tot 31 januari 2013.      

Berekening van de loopbaan als loontrekkende voor het tijdskrediet zonder motief  

Om recht te hebben op tijdskrediet zonder motief in de vorm van een volledige onderbreking of een vermindering van prestaties tot de helft of een 1/5-loopbaanvermindering, moet de werknemer een loopbaan hebben van 5 jaar als loontrekkende op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever. 

Voor de berekening van de loopbaan van 5 jaar als loontrekkende, wordt rekening gehouden met de arbeidsdagen en de volgende gelijkgestelde dagen: 

  • de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte‑ en invaliditeitsverzekering, de arbeidsongevallen, de beroepsziekten, de werkloosheidsverzekering (behalve indien het om volledige werkloosheidsdagen gaat), de jaarlijkse vakantie, het invaliditeitspensioen voor mijnwerkers;
  • de dagen waarop niet werd gewerkt en waarvoor een loon werd betaald waarop socialezekerheidsbijdragen, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden ingehouden;
  • de feestdagen waarvoor, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, een loon werd betaald waarop geen socialezekerheidsbijdragen werden ingehouden;
  • de dagen van arbeidsongeschiktheid waarvoor, overeenkomstig de wettelijke bepalingen, een loon werd betaald waarop geen socialezekerheidsbijdragen werden ingehouden;
  • de inhaalrustdagen waarop de werknemer recht heeft ingevolge de Arbeidswet van 16 maart 1971 of ingevolge een regeling tot vermindering van de arbeidsduur;
  • de dagen van staking of lock‑out;
  • de carenzdagen bedoeld door de Z.I.V.‑wetgeving;
  • de dagen waarop niet werd gewerkt wegens vorst, en die door het Fonds voor bestaanszekerheid van de arbeiders uit het bouwbedrijf werden vergoed;
  • de dagen waarop de werknemer het ambt van rechter in sociale zaken of van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken heeft vervuld;
  • de andere niet bezoldigde afwezigheidsdagen ten belope van ten hoogste tien dagen per kalenderjaar;
  • de dagen van aanwezigheid onder de wapenen wegens oproeping of wederoproeping;
  • de dienstdagen als gewetensbezwaarde;
  • de dagen, gepresteerd door een dienstplichtige, die met legerdienst gelijkgesteld worden op grond van de betreffende wetgeving (b.v. gepresteerde dagen bij de burgerbescherming, dagen van hospitalisatie in een militair ziekenhuis, ...).

Daarentegen worden de dagen van volledige werkloosheid en van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens uitoefening van het tijdskrediet of wegens een volledige loopbaanonderbreking uitdrukkelijk niet in aanmerking genomen in de berekening.  

Aanrekening van het verleden

Algemeen principe  

Alle periodes van volledige onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties genomen in het kader van de loopbaanonderbreking geregeld door de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en het tijdskrediet geregeld door CAO nr.77bis, worden in mindering gebracht op de maximumduur van 12 maanden voltijds equivalent van het tijdskrediet zonder motief.  Wanneer dit een negatief saldo oplevert, dient dit saldo, volgens de sociale partners, verder te worden aangerekend op het gemotiveerd tijdskrediet. 

De periodes genomen in het kader van de specifieke regelgeving rond de thematische verloven (ouderschapsverlof, verlof voor palliatieve zorgverlenging of medische bijstand aan een zwaar ziek gezins- of familielid) worden niet in mindering worden gebracht van het tijdskrediet.  

Afwijkende regel 

Wanneer de werknemer kan bewijzen dat de volledige onderbreking of de vermindering van prestaties uit het verleden werd genomen voor één van de motieven erkend door CAO nr.103, dan zal de betrokken periode, naargelang het geval, eerst worden aangerekend op gemotiveerd krediet van 36 of 48 maanden.   Een eventueel negatief saldo wordt nadien in mindering gebracht van het tijdskrediet zonder motief. 

Voorbeeld 

Een werknemer heeft van 1 april 2007 tot 31 maart 2009 een vermindering van prestaties genomen tot de helft in het kader van CAO nr.77bis om voor zijn kind te zorgen.  Het kind was op dat moment jonger dan 8 jaar.    Met toepassing van het algemeen principe zou deze periode eerst in mindering moeten worden gebracht van het niet gemotiveerd tijdskrediet (24 maanden – 24 maanden = 0 maanden saldo) wat zou betekenen dat de werknemer geen tijdskrediet meer kan nemen zonder motief.  Kan de werknemer evenwel aantonen dat de betrokken 24 maanden werden genomen om voor zijn kind jonger dan 8 te zorgen (b.v. aan de hand van een uittreksel uit het geboorteregister), dan zal deze periode in mindering worden gebracht van het gemotiveerd tijdskrediet (36 resp. 48 maanden – 24 maanden = nog 12 resp. 24 maanden over). 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites