NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Collectieve beschermingsmiddelen

 

Algemeenheden

Voor het verschijnen van het koninklijk besluit van 30 augustus 2013, lagen de algemene bepalingen betreffende de CBM vervat in artikel 54quater van het ARAB. In het kader van de overdracht van reglementaire bepalingen van het ARAB naar de Codex over het welzijn op het werk is het logisch dat ook de laatste bepalingen van artikel 54quater overgeheveld werden naar de Codex over het welzijn op het werk.

Bovendien past het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 de oude bepalingen van artikel 54quater aan en vervolledigt ze zodat we over een duidelijke en precieze procedure beschikken inzake het gebruik van CBM die beter beantwoordt aan het algemeen preventiebeleid dat elke werkgever moet toepassen op de arbeidsplaats (koninklijk besluit van 27 maart 1998).

Teneinde deze doelstelling te bereiken, werden in het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 een aantal belangrijke concepten uitgewerkt.

Toepassingsgebied

Het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 is niet van toepassing op de CBM die onderdeel zijn van een arbeidsmiddel. Voor deze CBM moet de werkgever alle belangrijke aspecten in verband met de veiligheid van de werknemers identificeren en dit in het kader van de risicoanalyse die hij moet uitvoeren op basis van de reglementaire bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen.

In het kader van deze risicoanalyse, zal de werkgever moeten nagaan of de reglementaire bepalingen of gelijkwaardige technische voorschriften betreffende het ontwerp van het arbeidsmiddel specifieke en voldoende criteria vaststellen voor het ontwerp van de CBM die onderdeel zijn van dit arbeidsmiddel. Hierbij ligt het voor de hand dat het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 een belangrijke basis vormt.

Definitie

(De tekst van het besluit is overgenomen tussen aanhalingstekens)

Een collectief beschermingsmiddel wordt gedefinieerd als:  

“elke beschermingsuitrusting die tot doel heeft de werknemer te beschermen tegen één of meerdere gevaren die zijn veiligheid of gezondheid op het werk in het gedrang kunnen brengen evenals alle aanvullingen of accessoires die hiertoe bestemd zijn, en die gelijktijdig de volgende kenmerken vertonen:

a) ze is dermate ontworpen en geïnstalleerd dat ze zo rechtstreeks mogelijk inwerkt op de oorzaak van het risico zodat dit risico maximaal wordt beperkt;”

Dit gedeelte van de definitie geeft een betere beschrijving van de aard van een collectieve bescherming en maakt het dus mogelijk om het belang van de CBM beter te begrijpen in de hiërarchie van de preventiemaatregelen. Een CBM is dus bestemd om de oorzaak van het risico aan te pakken, dit wil zeggen dat het CBM zo rechtstreeks mogelijk moet inwerken op het gevaar zelf.

Bijvoorbeeld:

  • tegen het gevaar op vallen van een hoogte: een randbeschermingssysteem vlakbij de plaats waar het gevaar op vallen aanwezig is,
  • tegen gevaarlijke stoffen die aanwezig kunnen zijn in de omgevingslucht: een afzuigsysteem dat op een doeltreffende manier in de onmiddellijke nabijheid van de verspreidingsbron wordt geïnstalleerd,
  • tegen geluidsoverlast: een scherm dat bestaat uit akoestische isolatie waarvan de kenmerken het mogelijk maken om het geluidsniveau van de verspreidingsbron te verminderen.

“b)  ze is bestemd om, voorafgaand aan de uitvoering van het werk te worden geïnstalleerd;”

Het begrip ‘collectieve bescherming’ wordt gewoonlijk begrepen als zijnde een bescherming die verscheidene werknemers tegelijk beschermt. Het is evenwel zo dat dit aspect van de collectieve bescherming bijkomstig is ten opzichte van het hoofddoel ervan. Deze bestaat erin de werknemer te beschermen zonder dat daarvoor een specifieke handeling van deze werknemer noodzakelijk is. Om deze doelstelling te bereiken, moet het CBM worden geïnstalleerd voor de aanvang van de arbeid die de aanwezigheid van het CBM vereist.

Het is duidelijk dat de installatie van een CBM een volledig afzonderlijke activiteit vormt waarvoor specifieke preventiemaatregelen moeten worden genomen.

“c)  ze is van die aard dat de werknemer niet actief moet tussenkomen om zijn veiligheid en gezondheid op het werk te verzekeren.”

Naar analogie met de preventie van brandrisico’s zou men eveneens kunnen spreken van ‘passieve’ bescherming, want zodra deze bescherming is aangebracht, hebben de werknemers geen taken meer uit te voeren om de bescherming te installeren. Zij moeten daarentegen wel de gebruiksvoorwaarden van deze bescherming naleven. Wat de persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) betreft, kan men daarentegen spreken van ‘actieve’ bescherming, want deze bescherming vereist een reeks precieze en soms complexe handelingen van de werknemer die ze zal moeten dragen.

Ter herinnering, de definitie van een PBM, zoals bepaald door het koninklijk besluit van 13 juni 2005, stelt dat een PBM “wordt vastgehouden of gedragen” door de werknemer. De definitie van een CBM bepaalt echter dat het zodanig “wordt ontworpen en geïnstalleerd” dat het zo rechtstreeks mogelijk inwerkt op de oorzaak van het risico teneinde dit risico maximaal te beperken. Men ziet hier dus goed het fundamenteel verschil dat bestaat tussen deze 2 soorten bescherming. Dit verschil ligt aan de oorzaak van het feit dat de Codex over het welzijn op het werk systematisch voorrang geeft aan de CBM ten opzichte van de PBM wanneer een werknemer beschermd moet worden bij de uitvoering van zijn werk.

Risicoanalyse

De risicoanalyse, zoals opgelegd in de artikelen 6 tot 11, legt de nadruk op het feit dat een CBM enkel kan worden overwogen als het gevaar dat aan de oorzaak ligt van een risico voor de veiligheid van de werknemer niet kan worden uitgeschakeld aan de bron (artikel 6). Deze risicoanalyse vult de benadering aan die men toepast bij de PBM: ze worden enkel gebruikt in de gevallen waar het onmogelijk is om de risico’s volledig uit te schakelen door collectieve beschermingsmaatregelen.

De artikelen 8 tot 10 stellen de klassieke principes vast van de risicoanalyse waarbij trapsgewijs wordt omschreven hoe men op basis van de risicoanalyse het CBM  kan kiezen dat het best is aangepast aan de arbeidsomstandigheden.

Artikel 11 bepaalt dat de werkgever zich ervan moet vergewissen dat het CBM niet enkel wordt gekozen op basis van de ‘ernst van de schade’ die een arbeidsongeval zou kunnen veroorzaken (bijvoorbeeld: schade die zou kunnen voortvloeien uit arbeid op grote hoogte, uit de blootstelling aan een te hoog geluidsniveau, …) maar eveneens op basis van de ‘frequentie van de blootstelling’ en van de ‘duur van de blootstelling’ aan de gevaren waarbij een hoog niveau het risico voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kan doen toenemen.

Deze benadering, gebaseerd op de ernst van de schade, de frequentie van de blootstelling en de duur van de blootstelling aan de gevaren, werd reeds gebruikt in het koninklijk besluit van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van een PBM.

Artikel 11 legt eveneens de naleving op van minimumeisen inzake het gebruik van CBM. Deze eisen worden opgelegd in bijlage II van het besluit en vinden hun oorsprong in oude bepalingen van het ARAB. De ervaring heeft namelijk aangetoond dat deze oude bepalingen een onmisbaar referentiekader vormen.

Procedure van de drie groene lichten

De procedure van de drie groene lichten, die werd opgelegd door artikel 54quater, werd op een algemene manier gemoderniseerd zodat deze procedure:

  • beter aangepast is aan de eigen kenmerken van een CBM,
  • aangepast is aan de grote verscheidenheid van de CBM, zowel wat de aard als de complexiteit ervan betreft,
  • erin voorziet dat bij de bestelling, de werkgever zich ervan vergewist dat hij van de leverancier alle nuttige informatie ontvangt zodat hij de voorwaarden opgelegd door het besluit kan naleven.

Artikel 12 bepaalt dat de leverancier op de bestelbon moet aangeven dat hij het volgende heeft nageleefd:

  • de kenmerken waarover het CBM moet beschikken en die werden vastgesteld bij de risicoanalyse (artikel 12, 1ste lid, punt 1°);
  • ontwerpcriteria gebaseerd op reglementaire vereisten (artikel 12, 1ste lid, punt 2° samen met artikel 4, 1ste lid);
  • bij gebrek aan reglementaire vereisten, ontwerpcriteria gebaseerd op de regels van goed vakmanschap (artikel 12, 1ste lid, punt 3° samen met artikel 4, 2de lid);
  • specifieke bijkomende vereisten (artikel 12, 1ste lid, punt 4°) eigen aan de werkgever, die zouden geïdentificeerd zijn bij de risicoanalyse.

Artikel 12, 1ste lid, punt 5° bepaalt dat de werkgever voortaan via de bestelbon zal moeten eisen dat de leverancier van het CBM hem alle nuttige informatie verstrekt om het CBM te plaatsen, de gebruiksgrenzen ervan te bepalen , het CBM te onderhouden en te controleren zodat dit bij elk gebruik beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door het besluit. De afdelingen 5 (plaatsing van CBM) en 7 (onderhoud en controle) omvatten bepalingen die gebaseerd zijn op deze informatie van de leverancier.

Bovendien moet bij de toepassing van de bepalingen opgelegd in afdeling 8 (opleiding en informatie), die voorzien in het geven van opleidingen en informatie aan de werknemers, met name over de gebruiksvoorwaarden, gebruik worden gemaakt van de gegevens die de leverancier moet verstrekken ingevolge de eisen die geformuleerd worden op de bestelbon.

Samenvatting van de procedure van de 3 groene lichten

Tabel 1

BestelbonArtikel 12 

Te vermelden reglementaire eisen op de bestelbon 

Referentieartikels 

Artikel 12, 1ste lid, 1°

Naleving van de kenmerken waaraan het CBM moet beantwoorden en die worden bepaald op basis van de risicoanalyse

Artikel 9, 1ste lid

Artikel 12, 1ste lid, 2°

Naleving van de wettelijke bepalingen inzake ontwerp en constructie

Artikel 4, 1ste lid

Artikel 12, 1ste lid, 3°

Bij gebrek aan wettelijke bepalingen: naleving van de criteria inzake ontwerp en constructie bepaald door  de regels van goed vakmanschap

Artikel 4, 2de lid

Artikel 12, 1ste lid, 4°

Naleving van bijkomende vereisten indien nodig

Artikel 12, 1ste lid. 1, 4°

Artikel 12, 1ste lid, 5°

Een instructienota van de leverancier eisen

Artikel 12, 1ste lid, 5°


Tabel 2 

  

Artikel 12, 1ste lid, 1° 

Artikel 12, 1ste lid, 2° 

Artikel 12, 1ste lid, 3° 

Artikel 12, punt 4° 

Artikel 12, 1ste lid, punt 5° 

1ste levering en bij een vernieuwing van de bestelling 

Naleving bevestigd door de leverancier

Naleving bevestigd door de leverancier

Naleving bevestigd door de leverancier

Naleving bevestigd door de leverancier

Naleving bevestigd door de leverancier wanneer artikel 12, 1ste lid, 3° en 4° van toepassing zijn

1ste indienststelling en bij een vernieuwing van de bestelling 

-

-

Naleving bevestigd door een verslag van de preventieadviseur

Naleving bevestigd door een verslag van de preventieadviseur

Naleving bevestigd door de preventieadviseur wanneer artikel 12, 1ste, lid, 3° en 4° van toepassing zijn

 
Bij het lezen van tabel 1 stellen we vast dat, ongeacht de ontwerpcriteria die worden vereist voor de constructie van het gekozen CBM, de naleving van deze ontwerpcriteria moet worden vereist in de bestelbon.

Tabel 2 bepaalt dat, bij de levering, de leverancier de naleving moet bevestigen van de ontwerpcriteria vereist door de bestelbon, ongeacht de oorsprong van deze criteria: Europese richtlijnen, regels van goed vakmanschap zoals geharmoniseerde Europese normen of bijkomende vereisten die noodzakelijk zijn voor sommige CBM.

De leverancier moet de levering van een instructienota enkel bevestigen wanneer het CBM werd geconstrueerd overeenkomstig de regels van goed vakmanschap (vermeld in artikel 4, 2de lid) of op basis van bijkomende vereisten (vermeld in artikel 12, 1ste lid, punt 4°).

Het feit dat de instructienota bij het geleverde product moet worden gevoegd is immers een eis die vermeld staat in de meeste Europese richtlijnen over het op de markt brengen van producten en die bedoeld worden in artikel 12, 1ste lid, punt 2°.

Als deze eis niet wordt opgelegd, in een Europese richtlijn bijvoorbeeld, dan moet de werkgever, op basis van artikel 12, 1ste lid, punt 4° (bijkomende vereisten), van de leverancier de verstrekking van de instructienota eisen. In dit geval moet de levering van de instructienota door de leverancier worden bevestigd aan de werkgever.

Een verslag van indienststelling van het CBM, opgesteld door de preventieadviseur en bestemd voor de werkgever, is enkel vereist wanneer de CBM geconstrueerd werden overeenkomstig de regels van goed vakmanschap (vermeld in artikel 4, 2de lid) of op basis van bijkomende vereisten (vermeld in artikel 12, 1ste lid, punt 4°).

In de meeste gevallen, leggen de bij artikel 12, 1ste lid, punt 2° bedoelde Europese richtlijnen over het op de markt brengen van producten, eisen op die het mogelijk maken zich ervan te vergewissen dat elk product op zodanige wijze kan worden geïnstalleerd dat de vereisten inzake veiligheid en gezondheid steeds worden nageleefd na de plaatsing ervan.

Als deze eis niet wordt opgelegd, bijvoorbeeld in een Europese richtlijn, dan moet de werkgever, op basis van artikel 12, 1ste lid, punt 4° (bijkomende vereisten) van de leverancier eisen dat het CBM dat wordt geleverd zodanig moet kunnen worden geïnstalleerd dat de vereisten inzake veiligheid en gezondheid steeds worden nageleefd na de plaatsing ervan (door middel van instructies, bijstand van het personeel van de leverancier, opleidingen). In dit geval is een verslag van indienststelling van het CBM opgesteld door de preventieadviseur en bestemd voor de werkgever noodzakelijk.

In het geval van de CBM, werd beslist dat bij de vernieuwing van een bestelling, de gehele procedure van de drie groene lichten opnieuw moet worden toegepast. Er werd immers geoordeeld dat het niet toepassen van de procedure van de drie groene lichten voor CBM die reeds werden besteld, indruiste tegen de verplichting van de werkgever om bij het bepalen van een preventiemaatregel rekening te houden met de evolutie van de technologie.

Plaatsing van CBM

Artikel 16 bepaalt dat elk CBM moet worden geplaatst overeenkomstig de instructienota van de leverancier.

In dit geval legt artikel 17 aan de werkgever op om zich ervan te vergewissen dat de plaatsing van elk CBM, waarvan de efficiëntie afhangt van de wijze van installatie, wordt gecontroleerd zodat kan worden nagegaan of de doelstellingen opgelegd door artikel 16 wel werden nageleefd.

Controle en onderhoud

Het koninklijk besluit van 30 augustus 2013 betreffende het gebruik van CBM voorziet in 2 soorten controles:

  • een controle waarvan de doelstelling erin bestaat na te gaan of de installatievoorwaarden van het CBM wel werden nageleefd (artikel 17);
  • periodieke en bijzondere controles, om na te gaan of het CBM tijdens de gehele gebruiksduur blijft voldoen aan de criteria die opgelegd worden in het koninklijk besluit (artikel 21).

Het besluit vermeld niet wie deze controles moet uitvoeren, wat betekent dat de keuze van de persoon of van de instelling die deze controles zal uitvoeren tot de verantwoordelijkheid van de werkgever behoort. Deze zal zich dus kunnen richten tot een interne of externe persoon of tot een instelling die gespecialiseerd is in de controles die moeten worden uitgevoerd. Ongeacht zijn keuze, moet de werkgever zich ervan vergewissen dat de persoon of de instelling daadwerkelijk over de competenties beschikt die vereist zijn voor de uitvoering van de controles.

Het CBM moet eveneens in goede gebruiksstaat worden gehouden door middel van een regelmatig onderhoud.

Het onderhoud en de controles worden uitgevoerd overeenkomstig de instructies van de fabrikant die worden vermeld in de instructienota bedoeld in artikel 12, 1ste lid, 5°.

Artikel 21, §3, stelt dat voor een aantal specifieke CBM, de controles bedoeld in artikel 21, §1, verplicht moeten worden uitgevoerd door een externe dienst voor technische controles die erkend is voor de deze controle.

Het doel van deze bepaling bestaat erin, gelet op de grote verscheidenheid van CBM, zich ervan te vergewissen dat, wanneer CBM of sommige delen van CBM op basis van wettelijke bepalingen moeten onderworpen worden aan een controle door een Externe Dienst voor Technische Controles, de werkgever de vereiste controles uitoefent op basis van deze wettelijke bepalingen. Daarbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan CBM die  uitgerust zijn met gasrecipiënten.

Opleiding en informatie

Om de inhoud te bepalen van de opleidingen, van de informatie en van de instructies voor de werknemers, is het belangrijk dat de werkgever zich in het bijzonder op de informatie van de leverancier kan baseren.

Daarom werd bepaald dat, bij het opstellen van de bestelbon, de werkgever van de leverancier eist dat hij een instructienota verstrekt die alle informatie bevat die het hem mogelijk maakt om het CBM te plaatsen, de gebruiksgrenzen ervan te bepalen, het te onderhouden en te controleren zodanig dat het bij elk gebruik beantwoordt aan de voorwaarden opgelegd door het besluit.

De preventieadviseur

Artikelen 

Opdrachten 

Preventieadviseur 

Arbeidsveiligheid 

Arbeidsgeneesheer 

Leiding van de dienst 

Art.10, §2

Uitvoering van de risicoanalyse

Advies

Advies

-

Art. 11, 2e lid

Bepalen van de omstandigheden waarin een CBM moet worden gebruikt

Advies

Advies

-

Art. 12, 2e lid

Voorbereidende werkzaamheden voor het opmaken van de bestelbon

Deelname

Deelname

-

Art. 12, 3e lid

Wanneer de bestelbon is opgesteld

-

-

Tekenen « voor gezien »

Art. 14, §3, 2e en 3e lid

Bij de levering van een CBM

Opstellen van het verslag

Advies als bijlage bij het verslag gevoegd

-

Artikel 22, §2

Inlichtingen- en instructienota’s

Vult aan indien nodig

Vult aan indien nodig

Tekenen « voor gezien »

 
 Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

 Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites