NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Vrijstelling van de activeringsbijdrage

 

De programmawet voert een bijzondere activeringsbijdrage in. Werkgevers moeten deze betalen aan de RSZ voor hun werknemers die geen enkele prestatie leveren tijdens een volledig kwartaal bij dezelfde werkgever.

Wetgeving


Artikel § 3 septdecies van Artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (ingevoerd door art. 66 van de programmawet van 25 december 2017 (B.S. 29 december 2017).

Uitzonderingen

Uitzonderingen op deze bijdrage zijn voorzien:

  • Voor de wettelijke volledige schorsingen van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, 
  • In het geval van vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging als bedoeld in artikel 37 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
  • Voor de werknemers die in een mechanisme van volledige vrijstelling van prestaties gestapt zijn voor 28 september 2017.
  • Ingevolge een CAO van bepaalde duur die afgesloten en neergelegd werd op de griffie voor 28 september 2017.
  • Voor de overheidsbedrijven wanneer zij hierover een regeling hebben afgesloten in het paritair comité in de zin van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven vóór 28 september 2017.
  • Wanneer de werknemer, die volledig van prestaties werd vrijgesteld, gedurende het volledige kwartaal een nieuwe, minstens een derde (berekend op basis van een voltijds equivalent) tewerkstelling aanvat, hetzij bij een of meerdere andere werkgevers, hetzij in de hoedanigheid van zelfstandige. Wat hieronder moet worden verstaan, moet nog worden vastgelegd bij Koninklijk Besluit. De bijdrage is opnieuw verschuldigd wanneer de werknemer deze tewerkstelling niet langer uitoefent.

De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer die vrijgesteld wordt van prestaties.

Vrijstelling van deze bijdrage

Een werkgever kan gedeeltelijk vrijgesteld worden van een deel van deze bijdrage wanneer de werknemer de verplichting had om een opleiding te volgen, die georganiseerd werd door zijn werkgever voor tenminste 15 dagen gedurende een periode van 4 opeenvolgende kwartalen. Het bijdragepercentage wordt dan verminderd met 40 % gedurende deze 4 kwartalen als de werkgever het bewijs levert dat de werknemer die opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd.

Een werkgever kan volledig vrijgesteld worden van deze bijdrage indien de werknemer gedurende de eerste 4 kwartalen van vrijstelling van prestatie een opleiding, die daadwerkelijk door zijn werkgever werd georganiseerd, verplicht heeft gevolgd. De kostprijs moet in dit geval tenminste 20 % bedragen van het brutojaarloon waarop de werknemer recht had voor de vrijstelling van prestaties.

Welke opleidingen?

Alle opleidingen worden in aanmerking genomen zoals bedoeld in de artikelen 9, a) en b), en 17 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, evenals de initiële beroepsopleiding.

Art. 9 a) behandelt de formele opleiding, met name door lesgevers of sprekers ontwikkelde cursussen en stages. Deze opleidingen worden gekenmerkt door een hoge graad van organisatie van de opleider of opleidingsinstelling. Ze gaan door op een plaats die duidelijk van de werkplek gescheiden is. Ze richten zich tot een groep cursisten en vaak wordt een attest verstrekt dat de opleiding gevolgd werd. Die opleidingen kunnen ontwikkeld en beheerd worden door de onderneming zelf of door een extern organisme;

Art. 9 b) handelt over de informele opleiding, namelijk de opleidingsactiviteiten, andere dan deze bedoeld onder a) die rechtstreeks betrekking hebben op het werk. Deze opleidingen worden gekenmerkt door een hoge graad van zelforganisatie door de individuele leerling of door een groep leerlingen met betrekking tot de tijd, de plaats en de inhoud, een inhoud die gekozen wordt volgens de individuele behoeften van de cursist op de werkplek, en met een rechtstreeks verband met het werk en de werkplek, met inbegrip van deelname aan conferenties of beurzen voor leerdoeleinden.

Het artikel 17 van deze wet van 5 maart 2017 stelt dat het opleidingsaanbod betrekking kan hebben op de materies inzake het welzijnsbeleid bedoeld in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

De initiële beroepsopleiding valt hier ook onder. In de parlementaire stukken wordt daarbij verwezen naar art. 191/2 en 191/3 van het KB van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen (sociale balans)
In dit KB van 2001 wordt onder initiële beroepsopleiding “de opleiding verstaan die gegeven wordt aan personen in de onderneming tewerkgesteld in kader van de systemen van alternerend leren en werken en met als doel het behalen van een diploma of van een officieel certificaat. De duur van deze opleiding bedraagt ten minste zes maanden.”
Bewijzen van opleiding

De werkgever moet het bewijs leveren aan de Algemene Directie van het Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg dat de betreffende werknemer de voornoemde opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. Een maal per jaar stelt deze dienst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hiervan in kennis overeenkomstig de modaliteiten te bepalen door de betrokken administraties.”

Dergelijke bewijsstukken van een opleiding kunnen allerhande zijn. Een geheel van elementen zal kunnen doen oordelen of een vrijstelling van de bijdrage geheel of gedeeltelijk kan toegekend worden. Naast de bewijsstukken wordt ook een identificatie van de werkgever (RSZ-nummer) en de namenlijst van de betrokken werknemers (met het INSZ-nummer) bijgevoegd.

Bij een externe opleiding of opleider kan u bv. de factuur aan de werkgever, een kopie van de uitnodiging van de betrokken werknemer, het attest dat de externe organisatie heeft afgeleverd per werknemer dat deze de lessen gevolgd heeft, de aanwezigheidslijst per halve dag les, opsturen naar de inspectie.

Daarbij kunnen, bij wijze van voorbeeld, volgende stukken ook dienstig zijn als bewijsstuk:

  • Voor een interne opleiding: een interne facturatie of kostenberekening
  • Een kopie van de individuele opleidingsrekening voor die werknemer, zoals bedoeld in artikel 9 c) van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk.
  • Titel en inhoudsopgave van de lesinhoud, ondertekend en gedagtekend door de lesgever.

Andere mogelijke bewijsstukken (zoals een film van de opleiding, verbeterde huistaken, …) zijn aanvullend ook mogelijk.

Eén van voornoemde documenten zal waarschijnlijk niet voldoende zijn als bewijs. U moet als werkgever voldoende bewijsstukken overmaken, zodat het duidelijk is dat werknemer A de opleiding B heeft gevolgd.
Het bewijs moet ook geleverd worden dat de gevolgde opleiding voldoet aan de eisen die de wet stelt.

Procedure

De werkgever moet, als hij geheel of gedeeltelijk wil vrijgesteld worden van deze activeringsbijdrage, de nodige en voldoende bewijsstukken overmaken aan de Algemene Directie van het Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

De werkgever dient deze bewijzen op te sturen aan:

FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg
Toezicht op de Sociale Wetten
t.a.v. de directeur-generaal (bureau 5015)
E. Blerotstraat 1
1070 Brussel.

Deze gegevens zullen door het Toezicht op de Sociale Wetten minstens één maal per jaar aan de RSZ-diensten worden overgemaakt.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Sitemap - Bescherming van persoonsgegevens