NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Stemrecht voor uitzendkrachten

Context

Juridisch gezien zijn uitzendkrachten niet in dienst van hun gebruikende onderneming: ze zijn werknemer van het uitzendkantoor en worden binnen een wettelijk afgebakend kader ter beschikking gesteld van de gebruiker.

Tot voor kort kwamen enkel vaste werknemers van een onderneming in aanmerking om te stemmen bij hun werkgever: de vaste werknemer (met uitzondering van het leidinggevend personeel) die op de verkiezingsdag (‘dag Y’) sinds ten minste 3 maanden tewerkgesteld is in de juridische entiteit of in de technische bedrijfseenheid gevormd door meerdere juridische entiteiten, mag aan de sociale verkiezing van zijn onderneming deelnemen. Het betreft een ononderbroken anciënniteitsperiode, al wordt aanvaard dat een korte onderbreking tussen 2 aanéénsluitende arbeidsovereenkomsten geen invloed heeft. De anciënniteit loopt tevens door tijdens schorsingsperiodes.

Praktisch gezien worden alle vaste werknemers die aan deze anciënniteitsvoorwaarde zullen voldoen tegen ‘dag Y’ hernomen op de voorlopige kiezerslijst op ‘dag X’.  Voor de vaste werknemers die bij nader inzien toch uit dienst gaan na ‘dag X’, is voorzien in een mogelijkheid tot schrapping (bij unanieme beslissing door de raad, het comité of de werkgever met de vakbondsafvaardiging) op ‘dag X +77’. 
 

Met het oog op de sociale verkiezingen 2020, werd de wetgeving aangevuld met een stemrecht voor de uitzendkrachten bij hun gebruiker. De wettelijke bepaling, ingevoegd bij amendement, is als volgt geredigeerd:

“Aan de verkiezingen van de personeelsafgevaardigden in de raad of het comité bij de gebruiker wordt tevens deelgenomen door alle uitzendkrachten voor wie cumulatief aan volgende voorwaarden is voldaan : 

1) in een referteperiode die aanvangt op de eerste dag van de zesde kalendermaand die voorafgaat aan de datum waarop de aanplakking geschiedt van het bericht dat de datum van 

de verkiezingen aankondigt en eindigt op de eerstgenoemde datum, zijn ze sedert ten minste 

drie ononderbroken maanden of, in geval van onderbroken tewerkstellingsperiodes, in totaal 

minstens gedurende 65 arbeidsdagen, tewerkgesteld in de juridische entiteit van de gebruiker of in de technische bedrijfseenheid van de gebruiker gevormd door meerdere juridische entiteiten; 

2) in een referteperiode die aanvangt op de datum waarop de aanplakking geschiedt van het 

bericht dat de datum van de verkiezingen aankondigt en eindigt op de dertiende dag die de 

verkiezingen voorafgaat, zijn ze in totaal minstens gedurende 26 arbeidsdagen tewerkgesteld 

zijn in de juridische entiteit van de gebruiker of in de technische bedrijfseenheid van de gebruiker gevormd door meerdere juridische entiteiten. 

De uitzendkrachten worden gelijkgesteld met werknemers van de onderneming voor de toepassing van de artikelen 18, 30, 31bis, 37, eerste lid, 39, 41 en voor de toepassing van  de bepalingen in verband met de stemverrichtingen als bepaald in Hoofdstuk III, Afdeling II.”
 

Kiesvoorwaarden 

Anciënniteitsvoorwaarden 

De wet vereist een tweeledige anciënniteit. Tijdens een eerste referteperiode, die loopt van 1 augustus 2019 (wat betreft de sociale verkiezingen 2020) tot en met ‘dag X’, dient de uitzendkracht tewerkgesteld te zijn bij de gebruiker gedurende ten minste 3 ononderbroken maanden, dan wel gedurende in totaal minstens 65 arbeidsdagen in geval van onderbroken tewerkstellingsperiodes. Tijdens een tweede referteperiode, die loopt van ‘dag X’ tot en met ‘dag X+77’ dient de uitzendkracht tewerkgesteld te zijn bij de gebruiker gedurende in totaal minstens 26 arbeidsdagen.

De wet bepaalt dat de eerste referteperiode tijdens de welke de anciënniteit wordt berekend, aanvangt op de eerste dag van de zesde kalendermaand die voorafgaat aan ‘dag X’ en eindigt op ‘dag X’, en dit zowel voor de berekening van de  ononderbroken periode van 3 maanden als van de onderbroken periode van 65 dagen. De wet vereist dus niet dat de ononderbroken periode van 3 maanden onmiddellijk voorafgaat aan ‘dag X’.
 

Voor de berekening van de ononderbroken periode van 3 maanden, dient men de ononderbroken periode ‘onder contract bij de gebruiker’ in aanmerking te nemen, met dien verstande dat tijdens korte onderbrekingen ‘buiten contract’ (zoals gewoonlijke inactiviteitsdagen, weekenddagen, dagen van collectief verlof…) de anciënniteit doorloopt. Dit principe geldt zowel voor voltijdse als voor deeltijdse uitzendkrachten.  
 

Indien men niet onder deze eerste hypothese valt en er dus sprake is van een daadwerkelijke onderbreking, valt men terug op de tweede hypothese voorzien bij de wet van berekening van onderbroken tewerkstellingsperiodes. Voor de berekening van deze onderbroken anciënniteit, spreekt de nieuwe wetsbepaling over ‘arbeidsdagen’, dit zijn de dagen waarop de uitzendkracht daadwerkelijk ter beschikking is bij de gebruiker (dagen waarop arbeid voorzien was tijdens de duur van het contract). Praktisch gezien betreft het alle dagen waarop de uitzendkracht  ingeboekt is bij de gebruiker en daadwerkelijk gepresteerd heeft, met dien verstande dat schorsingen en gelijkstellingen ook mee in aanmerking komen. Onderbrekingen tellen in deze hypothese daarentegen niet mee.

Aangezien de wet geen proportionaliteit specifieert, maakt het aantal gepresteerde uren per dag niet uit om als arbeidsdag in aanmerking te komen.
 

Voorbeelden  

  •  Indien de uitzendkracht gedurende 3 opeenvolgende maanden is tewerkgesteld bij een gebruiker (inactief op zaterdag en zondag) op basis van opeenvolgende voltijdse weekcontracten, zij het geformuleerd van maandag tot vrijdag dan wel van maandag tot zondag = ononderbroken periode van 3 maanden; Indien de weekcontracten toch worden onderbroken bv. gedurende een week, worden de daadwerkelijke arbeidsdagen geteld van maandag tot vrijdag;
      
  •  Indien de uitzendkracht gedurende 3 opeenvolgende maanden is tewerkgesteld bij een gebruiker (inactief op zaterdag en zondag) op basis van opeenvolgende deeltijdse weekcontracten, zij het  geformuleerd van maandag tot vrijdag, dan wel van maandag tot zondag, met werkrooster op bv. maandag, woensdag en vrijdag = ononderbroken periode van 3 maanden; Indien er geen sprake is van opeenvolgende weekcontracten, doch er wordt onderbroken, worden enkel de daadwerkelijk gepresteerde dagen geteld, meer de gelijkgestelde dagen (bv. indien de uitzendkracht op een bepaalde dag was ingeboekt maar niet presteert wegens ziekte, telt deze dag mee als arbeidsdag);
      
  •  Indien de uitzendkracht gedurende 3 opeenvolgende maanden elk weekend is tewerkgesteld bij een gebruiker, die werkt met weekploegen en weekendploegen, op basis van een overbruggingsploegcontract om 2 x 12 uren te presteren op zaterdag en zondag = ononderbroken periode van 3 maanden, aangezien de weekdagen in dergelijk regime inactiviteitsdagen zijn;
     
  •  Indien de uitzendkracht is tewerkgesteld bij een gebruikende onderneming, waarin 7 dagen op 7 wordt gewerkt, gedurende 3 opeenvolgende maanden waarbij telkens énkel wordt onderbroken door diens individuele inactiviteitsdagen = ononderbroken periode van 3 maanden.

 

Andere

Bij gebreke aan wettelijke uitsluiting, komen ook uitzendkrachten die een vaste werknemer vervangen in aanmerking voor stemrecht bij de gebruiker.   

Merk op dat de wet nergens voorziet dat de uitzendkracht op ‘dag X’ ter beschikking moet zijn van de gebruiker teneinde hernomen te kunnen worden op de kiezerslijst, noch op ‘dag Y’.

Praktisch gezien dient de gebruiker alle uitzendkrachten die voldoen aan de eerste anciënniteitsvoorwaarde op te nemen op de voorlopige kiezerslijst op ‘dag X’. Voor de uitzendkrachten waarvan blijkt dat zij niet aan de tweede anciënniteitsvoorwaarde voldoen, is voorzien in een mogelijkheid tot schrapping (bij unanieme beslissing door de raad, het comité of de werkgever met de vakbondsafvaardiging) op ‘dag X +77’. Indien, omgekeerd, bepaalde uitzendkrachten ten onrechte niet werden hernomen op de kiezerslijst op ‘dag X’, voorziet de wet in de mogelijkheid tot klacht en beroep door de uitzendkrachten en de vakorganisaties.

 

Wettelijke referenties 

  • Artikel 16 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen;
  • Artikel 30 en 30bis van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Sitemap - Bescherming van persoonsgegevens