NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Toepassingsgebied ratione personae

De wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, hierna "de wet" genoemd, is toepasselijk op de werkgevers en de werknemers.  Daarnaast worden een aantal categorieën personen gelijkgesteld met de werknemers en degenen die hen tewerkstellen met de werkgevers.  Het gaat hier in het bijzonder om de volgende categorieën:

  • de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
  • de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
  • de personen verbonden door een leerovereenkomst;
  • de stagiairs;
  • de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de onderwijsinstelling wordt verricht.

De bepaling van artikel 2, §1, eerste lid is gelijk aan het personeel toepassingsgebied van heel wat andere sociale wetten, zoals bijvoorbeeld de arbeidswet van 16 maart 1971 en de loonbeschermingswet van 12 april 1965.  De begrippen werkgever en werknemer zijn immers algemeen gekende noties in het arbeidsrecht: "Een werkgever is de partij bij een arbeidsovereenkomst in welker dienst de ander partij, de werknemer, zich verbindt gedurende een zekere tijd onder het gezag van die werkgever arbeid te verrichten".  Dit is een bevestiging van wat reeds voorkwam in de wet van 10 juni 1952, maar beter afgestemd op de thans gebruikte terminologie.

De bepalingen van artikel 2,§ 1, tweede lid stellen een aantal gelijkstellingen vast.  De gelijkstelling vermeld onder a is gelijk aan deze die voorkomt in de hierboven geciteerde wetten.

In de eerste plaats vallen de ambtenaren van alle openbare diensten onder deze gelijkstelling, daar zij anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder gezag van een ander persoon. Zij worden immers tewerkgesteld in statutair verband.  De opsomming vermeld in de wet van 10 juni 1952 is aldus volledig irrelevant.

De personen die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (PWA) activiteiten verrichten, vallen in principe eveneens onder deze gelijkstelling. Voor meer informatie hieromtrent, zie de toelichting: Tewerkstelling van PWA-werknemers en van werknemers in het kader van dienstencheques.

De personen die vrijwilligerswerk verrichten zijn niet onderworpen aan deze wet, behalve indien er een gezagsverhouding bestaat.  Deze dient beoordeeld te worden door de rechtbanken, aangezien het hier gaat om een feitenkwestie. In elk geval zijn deze situaties zeer beperkt.  Vrijwillige brandweerlieden bijvoorbeeld vallen onder de gelijkstelling, daar het vrijwillig karakter van hun activiteit alleen ligt in hun engagement.  Van zodra zij hun activiteiten uitoefenen wordt er over hen gezag uitgeoefend.  In de Kamercommissie werd geopperd dat ook de vrijwilligers dienden onderworpen te zijn aan de wet.  Dit werd echter niet weerhouden gelet op de complexiteit en het specifiek karakter van de arbeid verricht door vrijwilligers.  Er werd geoordeeld dat hierover een globaal debat moet worden gevoerd in een andere context.

Andere personen die als voorbeeld worden vernoemd, zijn: de werknemers die burgerlijk opgevorderd zijn krachtens het koninklijk besluit van 1 februari 1938; de gedetineerden die, hetzij in het raam van artikel 30bis van het Strafwetboek, hetzij vrijwillig arbeid verrichten; de geplaatste minderjarigen bedoeld bij de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.

Onder punt b worden de personen vermeld die een beroepsopleiding volgen.  Wanneer deze personen in het kader van hun opleiding een vorm van arbeid verrichten is de wet op hen van toepassing, zowel wanneer deze activiteit verricht wordt binnen het opleidingscentrum als erbuiten.  Het gaat hier bijvoorbeeld om:

  • de minder-validen verbonden door een speciale leerovereenkomst, of door een overeenkomst voor beroepsopleiding of omscholing;
  • de personen die een beroepsopleiding volgen in het kader van de tewerkstellingsreglementering.  De achtergrond van deze bepaling is dat het hier vaak om personen gaat die reeds in het beroepsleven stonden en reeds voordien werknemers waren, waarvoor het past eenzelfde beschermingsniveau te handhaven nu ze zich in een andere situatie bevinden.

Onder punt c worden de personen vermeld die verbonden zijn door een leerovereenkomst.  Het gaat hier meer in het bijzonder om de leerovereenkomsten die gesloten zijn in het kader van een middenstandsopleiding.  Door de tekst op deze wijze te stellen wordt de verwarring tussen het Nederlands, waar men gewoonlijk spreekt van "leerling" en het Frans, waar men spreekt van "apprenti" eens en voorgoed uitgesloten.

De onder punten b en c vermelde categorieën werden vroeger ook reeds vermeld in het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten.  Ook meerdere auteurs hebben naar aanleiding van commentaren bij andere wetteksten deze categorieën van personen vermeld.  In die gevallen ging het steeds om de toepassing van het principe vermeld onder punt a.  Het werd in het kader van deze wet echter opportuun geacht deze categorieën uitdrukkelijk te vermelden. Aldus wordt voor de eerste maal uitdrukkelijk in een wettekst vermeld wat reeds sinds lang door de rechtsleer is aanvaard.

Onder punt d worden de stagiairs vermeld.  Dit zijn de personen die gedurende een bepaalde tijd stage verrichten in een onderneming.  Het is de tijd die iemand doormaakt in het kader van een afgerond leerprogramma voor het opdoen van beroepservaring.  Aangezien de stagiairs hun activiteiten verrichten in een onderneming, moet deze onderneming beschouwd worden als de werkgever, daar zij effectief de stagiairs tewerkstelt.

Onder punt e worden de leerlingen en studenten vermeld die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht.  Volgens de memorie van toelichting gaat het om de activiteiten binnen de onderwijsinstelling die van praktische aard zijn.  Hoewel leerlingen en studenten in een onderwijsinstelling geen arbeid verrichten in de gebruikelijke zin van het woord, verrichten zij toch vaak activiteiten die er mee gelijkgesteld kunnen worden vooral in het technisch en beroepsonderwijs.  Er kan inderdaad vastgesteld worden dat leerlingen binnen een school vaak activiteiten verrichten die dezelfde zijn als tijdens hun stage.  Zo is het bijvoorbeeld in hotelscholen gebruikelijk dat de studenten maaltijden bereiden voor het restaurant van de school.  Deze activiteit verrichten ze ook tijdens hun stage.  Het zou niet logisch zijn leerlingen in de school anders te behandelen dan tijdens de stage.  Het is alleen voor die activiteiten dat zij onderworpen zijn aan de wet.

Tegelijkertijd dient opgemerkt te worden dat de leerkrachten, als personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, volledig onder het toepassingsgebied van de wet vallen. Leerkrachten worden immers meestal tewerkgesteld in toepassing van een specifiek statuut dat het verrichten van arbeid onder gezag impliceert. Ook het administratief, technisch en vakpersoneel valt onder het toepassingsgebied van de wet, daar zij ofwel een statuut als ambtenaar hebben, ofwel verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst. Leerlingen en studenten bevinden zich samen met deze personen op eenzelfde arbeidsplaats en worden blootgesteld aan dezelfde risico's, zodat het niet logisch zou zijn dit personeel en de leerkrachten wel te beschermen, maar de leerlingen en studenten niet.

Tenslotte worden leerlingen en studenten opgeleid om later een bepaald beroep uit te oefenen in een bedrijf.  Dit impliceert dat een goede preventie vertrekt vanaf de integratie van veiligheid en gezondheid in het onderwijs, waartoe de onderwijsnetten zich verbonden hebben in hun gemeenschappelijke verklaring van 8 oktober 1992.  De toepassing van de wet op leerlingen en studenten kan hen sensibiliseren voor de problematiek van welzijn op het werk en is tevens een element van kwalitatief onderwijs.

De categorieën vermeld onder de punten b tot e houden alleen verband met een beroepsopleiding of onderwijs.  Nochtans kan er een zekere gradatie vastgesteld worden. In punten b, c en d gaat het om personen die ofwel reeds werknemer zijn geweest ofwel hun opleiding in hoofdzaak krijgen in de onderneming waarin een zekere vorm van arbeid wordt verricht, terwijl punt e de leerling als dusdanig in de onderwijsinstelling zelf betreft. 

Daarbij kan nog opgemerkt worden dat de kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk het nodig maakte de wet uit te breiden naar de personen verbonden met een leerovereenkomst en de stagiairs.
De wet is niet toepasselijk op de dienstboden en het ander huispersoneel en hun werkgevers (art. 2, §4).  Dienstboden zijn werknemers of daarmee gelijkgestelden die in hoofdzaak huishoudelijke handenarbeid verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.  Ander huispersoneel zijn werknemers of daarmee gelijkgestelden die in hoofdzaak hoofdarbeid verrichten in verband met de huishouding van de werkgever of zijn gezin, zoals gouvernantes, huisleraars, persoonlijke verplegers en au pair-meisjes.  In de memorie van toelichting wordt aldus uitgegaan van de traditionele indeling arbeider-bediende om het onderscheid tussen dienstbode en ander huispersoneel te bepalen.

De personen tewerkgesteld in een familieonderneming wel onder het toepassingsgebied van de welzijnswet.  Een familieonderneming was volgens art. 2 van de wet van 10 juni 1952 een onderneming waar slechts de leden van de familie tot de derde graad, onder het gezag van één ervan of de voogd werken.  Uit het algemeen toepassingsgebied van de welzijnswet blijkt:

  • dat wanneer de familieleden verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst de wet van toepassing is;
  • dat wanneer een familielid helper van een zelfstandige is, de zelfstandige uit de aard zelf van het statuut van dat familielid er gezag over uitoefent, ook al is er geen arbeidsovereenkomst, zodat de wet van toepassing is;
  • dat in de voormelde gevallen er geen sprake is van een familieonderneming, wanneer de onderneming een rechtspersoon is;
  • dat wanneer de familieleden allen zelfstandigen zijn de wet niet van toepassing is.

De welzijnswet stipuleert dat de Koning de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten geheel of gedeeltelijk toepasselijk kan verklaren op andere dan de bij §1 bedoelde personen die zich op de bij deze wet en haar uitvoeringsbesluiten bedoelde arbeidsplaatsen bevinden.  Het betreft hier bijvoorbeeld bezoekers, leveranciers en klanten.  De ratio legis van die bepaling is te vinden in de interferenties die op het vlak van het welzijn op het werk kunnen ontstaan tussen de werknemers en deze andere personen.  Dit is bijvoorbeeld het geval inzake brandveiligheid, waar de reglementering thans reeds rekening houdt met deze personen o.a. voor de vaststelling van de breedte van de uitgangswegen, uitgangen en trappen.

Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites