NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Eerste hulp bij ongevallen

 

Kader

Het koninklijk besluit betreffende de eerste hulp die verstrekt wordt aan werknemers die slachtoffer worden van een ongeval of die onwel worden strekt tot de opheffing en vervanging van de artikelen 174 tot 183ter van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, die betrekking hadden op de eerste hulp en de dringende verzorging toegediend aan slachtoffers van een ongeval of die onwel worden.

In vergelijking met de oude reglementering van het ARAB, situeren de principiële vernieuwingen zich op het niveau van:

  • de indeling van het personeel belast met het toekennen van de eerste hulp alsook de aard van de noodzakelijke middelen die worden vastgesteld in functie van het aantal werknemers, de karakteristieken van de onderneming en de resultaten van de risicoanalyse;
  • het schrappen van de verplichte inhoud van de verbanddoos;
  • het schrappen van de erkenningen en de vervanging ervan door een procedure die er toe leidt dat de organisatoren van de vorming van de hulpverlener opgenomen worden op een lijst van organismen die vorming verstrekken;
  • de inhoud van de basisvorming van de hulpverleners, opgesteld in termen van doelstellingen.

Dit nieuwe koninklijk besluit geeft een kader voor de organisatie van de eerste hulp in de onderneming, zonder concreet op de details in te gaan die overigens het voorwerp uitmaken van een brochure. Dit besluit biedt aanknopingspunten voor elke werkgever opdat hij een optimale organisatie van de eerste hulp kan bereiken die moet overeenstemmen met de karakteristieken van zijn onderneming.

Definities

Er worden nauwkeurige definities gegeven van de eerste hulp, de hulpverlener en het verzorgingslokaal.

Eerst hulp

Het betreft het geheel van noodzakelijke handelingen die er op gericht zijn de gevolgen van een ongeval of een traumatische of niet-traumatische aandoening te beperken en er voor te zorgen dat de letsels niet erger worden, in afwachting van, indien nodig, gespecialiseerde hulp.
De definitie is gesteund op de doelstelling: het doel is een slachtoffer van een ongeval of dat onwel is geworden, te behoeden voor een gevaarlijke situatie, aan de hand van aangepaste middelen die kunnen bestaan uit onmiddellijke en voorlopige zorgen. De acties die men neemt zijn dus zorgen maar kunnen ook uit eerste hulp bestaan.
De notie “dringende zorgen” wordt niet meer gebruikt aangezien de FOD Volksgezondheid bevoegd is voor het vaststellen van de criteria voor het verlenen van dringende zorgen. Deze zorgen kunnen enkel nog worden verleend door gespecialiseerde verpleegkundigen.

Hulpverlener

Het betreft een werknemer belast met het verstrekken van de eerste hulp die met vrucht de basisvorming en de bijscholing, die betrekking hebben op welomschreven doelstellingen, heeft gevolgd. Deze basisvorming moet aangevuld worden met een specifieke vorming verbonden aan de ondernemingsactiviteiten, wanneer deze activiteiten specifieke risico’s met zich meebrengen.

Verzorgingslokaal

Dit lokaal is gevestigd op de arbeidsplaats of in de onmiddellijke omgeving ervan.
Het is enkel bestemd om het materiaal voor eerste hulp te bevatten en om de slachtoffers van een ongeval of die onwel geworden zijn, op te vangen met als doel hen de eerste hulp te verstrekken. Dit lokaal kan ook, na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer, ter beschikking worden gesteld van werkneemsters tijdens de zwangerschap of de lactatie zodat zij kunnen rusten of borstvoeding geven, binnen de voorwaarden vastgesteld door specifieke reglementering.

Verplichtingen van de werkgever

Algemene verplichting (art. 3)

Het algemene principe is dat de werkgever de nodige maatregelen moet treffen om:

  • de werknemers die slachtoffer zijn van een ongeval of die onwel geworden zijn de eerste hulp te verstrekken en indien nodig een gespecialiseerde dienst te alarmeren,
  • er voor te zorgen dat de slachtoffers vervoerd worden, naargelang het geval hetzij naar het verzorgingslokaal, hetzij naar hun woning, of naar een verzorgingsinstelling, voor zover het slachtoffer kan vervoerd worden,
  • de nodige contacten te leggen met de diensten gespecialiseerd in medische noodhulp en reddingswerkzaamheden en met de verzorgingsinstellingen opdat de slachtoffers zo snel mogelijk de gepaste medische hulp zouden bekomen.

Om het externe transport (taxi, ambulance,…) te verzekeren en om de gespecialiseerde diensten te kunnen alarmeren, moeten de belangrijkste telefoonnummers en adressen van deze diensten onmiddellijk beschikbaar zijn.

Een nieuwe bepaling (§2) vereist dat alle door de werkgever te treffen maatregelen ook kunnen toegepast worden op andere personen die aanwezig kunnen zijn op de arbeidsplaats, zoals aannemers, onderaannemers, studenten, bezoekers, klanten, patiënten,… Deze personen kunnen ook slachtoffer worden van een ongeval of onwel worden en in dat geval moet de werkgever er zorg voor dragen dat zij de eerste hulp krijgen en eventueel worden vervoerd.

Welke zijn de te nemen maatregelen (art. 4)

De werkgever stelt de nodige maatregelen vast:

  • na advies van het Comité,
  • met de medewerking van de interne of externe dienst, volgens de grootte van de onderneming en de verdeling van de taken tussen deze twee diensten,
  • en met de medewerking van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer die toezicht houdt op de organisatie van de eerste hulp.

Hij houdt rekening met:

  • de aard van de activiteiten van zijn onderneming,
  • de resultaten van de risicoanalyse,
  • het aantal werknemers en de groep van risico’s waaraan zij kunnen blootgesteld worden.

De te nemen maatregelen zijn de volgende:

  • Procedures: de werkgever werkt de procedures van eerste hulp uit zoals voorzien in het intern noodplan, aangezien dit plan moet uitgewerkt worden in toepassing van artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De werkgever treft ook maatregelen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar, zoals bepaald in de artikelen 23 tot 25 van hetzelfde besluit.
    De procedures moeten zodanig worden uitgewerkt dat de slachtoffers van een ongeval of die onwel worden zo snel mogelijk kunnen genieten van de aangepaste hulpverlening. Deze procedures betreffen inzonderheid de wijze van informeren van de werknemers over de organisatie van de eerste hulp, het interne communicatiesysteem om zo snel mogelijk de personen belast met het toedienen van de eerste hulp te bereiken, de externe communicatie met de gespecialiseerde diensten,…
     
  • De uitrusting: de werkgever bepaalt welke middelen noodzakelijk zijn voor de organisatie van de eerste hulp.
    Deze middelen omvatten het noodzakelijke materiaal, de verbanddoos en het verzorgingslokaal.
     
  • De organisatie: de werkgever bepaalt het aantal werknemers dat moet ingezet worden om de eerste hulp te verlenen.
    Hij bepaalt over welke kwalificaties zij dienen te beschikken in functie van de criteria vermeld in artikel 7: hetzij hulpverleners, hetzij verpleegkundigen, hetzij andere aangeduide personen.
     
  • De vorming: de werkgever inventariseert de specifieke risico’s verbonden aan ondernemingsactiviteiten, waarvoor de hulpverleners hetzij de basisvorming, hetzij deze basisvorming aangevuld met een specifieke vorming, moeten verwerven, in overeenstemming met artikel 9.

Uitrusting (art. 5 en 6) = middelen

Het basismateriaal en de verbanddoos

De werkgever bepaalt, na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en het Comité:

  • welk basismateriaal noodzakelijk is,
  • de inhoud van de verbanddoos,
  • de plaats waar dit materiaal zich bevindt,
  • of aanvullingen noodzakelijk zijn.

De werkgever verifieert ook regelmatig of dit materiaal en de verbanddoos zich op de daartoe bestemde plaats bevinden.
Een indicatieve lijst van de inhoud van de verbanddoos is beschikbaar in een brochure gesteund op de praktische aspecten van de eerst hulp. 

Het wordt afgeraden medicijnen in de verbanddoos te stoppen, zelfs niet deze die zonder medisch voorschrift verkrijgbaar zijn.
De opdrachten van de arbeidsgeneesheer zijn inderdaad hoofdzakelijk preventief en de hulpverlener is niet bevoegd om medicijnen toe te dienen.

Het verzorgingslokaal

Het verzorgingslokaal is verplicht in de ondernemingen die ingedeeld worden in de groepen A, B of C, behalve indien uit de risicoanalyse blijkt dat dit niet noodzakelijk is.

De inrichting van het verzorgingslokaal (karakteristieken van het lokaal, materiaal, meubilair, …) wordt eveneens bepaald door de werkgever na advies van de arbeidsgeneesheer en het Comité.
Adviezen met betrekking tot de inrichting van dit lokaal zullen zich ook in de brochure bevinden.

Hoewel het lokaal enkel mag gebruikt worden met als doel het toedienen van de eerste hulp, voorziet een bepaling dat het lokaal ook kan gebruikt worden als rustlokaal opdat de zwangere werkneemsters er kunnen rusten in aangepaste omstandigheden van comfort en opdat de werkneemsters die borstvoeding geven er hun kind kunnen voeden.
Het is immers voorzien in de reglementering met betrekking tot de sanitaire voorzieningen (art. 88 van het ARAB) dat de werkgever een aangepaste plaats moet ter beschikking stellen aan zijn werkneemsters om te rusten.
Deze bepaling (art. 6, §2) van het besluit voegt eenvoudigweg de mogelijkheid toe om het verzorgingslokaal ook te gebruiken als rustlokaal voor deze werkneemsters, na advies van de arbeidsgeneesheer.

Organisatie (art. 7)

Indeling van het personeel belast met het waarborgen van de eerste hulp

Deze indeling is niet langer star zoals in de oude reglementering, en is meer aangepast aan de realiteit van de ondernemingsactiviteiten.

In de ondernemingen van groepen A, B of C, bepaalt de werkgever het aantal en de kwalificatie van het personeel belast met het toedienen van de eerste hulp:

  • na advies van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en het Comité,
  • in functie van het aantal werknemers in zijn onderneming,
  • in functie van de karakteristieken van de activiteiten van de onderneming,
  • in functie van de resultaten van de risicoanalyse.

Deze personeelsleden zijn:

  • hetzij hulpverleners met een basisvorming (zie rubriek vorming),
  • hetzij hulpverleners met een basisvorming en specifieke kennis en vaardigheden (indien er specifieke risico’s zijn in de onderneming),
  • hetzij verpleegkundigen,
  • hetzij andere aangeduide werknemers.

In de ondernemingen ingedeeld in groep D duidt de werkgever één of meerdere werknemers aan die de basisvorming niet dienen te hebben gevolgd, maar die de informatie hebben ontvangen die noodzakelijk is om de verbanddoos te gebruiken en om de gepaste hulpdiensten te verwittigen.
Op het ogenblik van het aanduiden van het personeel, moet de werkgever er rekening mee houden dat de eerste hulp moet kunnen toegediend worden tijdens de volledige duur van de arbeid, dus ook tijdens de nacht ingeval van nacht- en ploegenarbeid.

Bijhouden van een register (§3)

Het doel van het bijhouden van een register van interventies in het kader van de eerste hulp, maakt essentieel deel uit van het preventiebeleid:

  • om andere gelijkaardige ongevallen te voorkomen,
  • om toe te laten de organisatie van de eerste hulp te evalueren en aan te passen,
  • om een andere periodiciteit toe te laten in de organisatie van de bijscholing,
  • als element van bewijs bij lichte arbeidsongevallen die niet door de werkgever aan de arbeidsongevallenverzekeraar moeten worden aangegeven,
  • en om een juridische zekerheid te waarborgen indien, in voorkomend geval, de eerste hulp niet tijdig of slecht werd toegediend.
    In het kader van de welzijnswet wordt de hulpverlener als werknemer beschouwd en kan hij niet strafrechtelijk vervolgd worden in het kader van deze wet aangezien de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen inzake de eerste hulp rust op de werkgever. De hulpverlener is vanzelfsprekend wel onderworpen aan de sancties die de werkgever heeft vastgesteld in het kader van hun contractuele relaties. In geval van een zware fout begaan door de hulpverlener, zal het gemeen recht (burgerlijk of strafrechtelijk) worden toegepast, zoals voor elke andere burger.

In het register moeten minstens de volgende elementen worden opgenomen:

  • de naam van het slachtoffer,
  • de naam van de persoon die de eerste hulp heeft toegediend,
  • de plaats, de datum en het uur van het ongeval, evenals een beschrijving en de omstandigheden van het ongeval, met het oog op de vrijstelling van aangifte van deze ongevallen aan de arbeidsongevallenverzekeraar en het behoud als element van bewijs in geval van verergering,
  • de datum en het uur van de interventie,
  • de aard van de interventie (aard van de kwetsuren, type en middelen van eerste hulp, follow-up na de eerste hulp, …),
  • de identiteit van eventuele getuigen.

Bevoegdheid van de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW)

De ambtenaren belast met het toezicht op het welzijn van de werknemers kunnen het nuttig achten aan de werkgever een andere indeling van het personeel belast met het toedienen van de eerste hulp, een andere inhoud of aanvullingen van de verbanddoos of de inrichting van een verzorgingslokaal indien dit er niet is en indien de ambtenaar oordeelt dat dergelijk lokaal nodig is, op te leggen.

Vorming en bijscholing (art. 9 tot 14)

Basis- en specifieke kennis en vaardigheden (art. 9, 10 en 14)

Basisvorming voor hulpverleners

De basiskennis en –vaardigheden moeten toelaten dat de hulpverlener de doelstellingen opgenomen in de bijlage bereikt, met het oog op:

  • het herkennen van de levensbedreigende medische toestand van personen,
  • het toepassen van de principes van de eerste hulp in afwachting van het tussenkomen van gespecialiseerde diensten.

Wanneer de activiteiten van de onderneming geen specifieke risico’s met zich meebrengen voor de werknemers is de basisvorming voldoende. Deze basisopleiding moet binnen alle ondernemingen gekend zijn.

Specifieke vorming

Indien specifieke risico’s verbonden zijn aan de activiteiten van de werkgever, dient de basisvorming te worden aangevuld met een specifieke vorming gesteund op deze risico’s en in praktijk gebracht onder de voorwaarden vermeld in artikel 14.
De specifieke risico’s worden bepaald door de werkgever met medewerking van de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer en de interne dienst en na advies van het Comité.
In het kader van deze specifieke risico’s, dient eveneens rekening te worden gehouden met de specifieke bepalingen inzake de eerste hulp opgenomen in:

  • het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk (art. 23 tot 28),
  • het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van biologische agentia op het werk (art. 32 tot 34),
  • het koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen (art.50 en bijlage III, A, 13).
Bijscholing

De bijscholing gebeurt normaal gezien jaarlijks, behalve indien de werkgever, op basis van een voorafgaande risicoanalyse en het advies van de arbeidsgeneesheer en het Comité, kan aantonen dat de jaarlijkse bijscholing niet nodig is: in dat geval kan de bijscholing om de twee jaar worden gevolgd.

Bijvoorbeeld, indien de hulpverleners er regelmatig toe gebracht worden eerste hulp te verlenen, is een jaarlijkse herhaling van de kennis niet steeds nodig. Sinds het KB van 9 maart 2014 is een onbeperkte vermindering van de frequentie van de bijscholing aldus uitgesloten; voortaan kan men deze frequentie nog slechts verminderen tot minstens één keer per twee jaar.

Een hulpverlener die, omwille van een geldige reden, een bijscholingssessie niet kan bijwonen, moet deelnemen aan een andere bijscholingssessie binnen de twaalf maanden die volgen op de oorspronkelijk voorziene bijscholing, zoniet wordt hij geacht niet langer te beschikken over de nodige kennis en vaardigheden inzake eerste hulp. In dat geval zal de werknemer opnieuw een volledige opleiding moeten doorlopen, zo niet wordt hij niet langer vermoed op te treden als hulpverlener in het kader van het KB van 15 februari 2010.

Het brevet of getuigschrift blijft geldig zolang de bijscholing wordt gevolgd.

Inhoud van de vorming in termen van doelstellingen

De inhoud van de vorming wordt vastgesteld in termen van finale doelstellingen, wat aan de hulpverleners die hun vorming in het buitenland hebben gevolgd ook toelaat om aan deze doelstellingen te voldoen:

  1. de basisprincipes (rol van de hulpverlener, basishygiëne, juiste analyse van de situatie, zorgen voorafgaand aan de evacuatie en procedure)
  2. ondersteuning van de vitale functies (acties in geval van bewusteloosheid, ademhalingsproblemen en cardiovasculaire problemen)
  3. eerste hulp in geval van andere aandoeningen (bijvoorbeeld vergiftiging, bloedingen, verwondingen, brandwonden)

De instellingen die voorkomen op de lijst van instellingen die in de vorming van de hulpverleners voorzien (gedetailleerde lijst: zie verder) kunnen ertoe gebracht worden na te gaan of de inhoud van een opleiding gevolgd in het buitenland beantwoordt aan de basiskennis en –vaardigheden bedoeld in dit besluit.

De vorming inzake hulpverlener is namelijk opgesteld in termen van doelstellingen op een gelijkaardige wijze als de modaliteiten voorgeschreven voor de basisvorming van de preventieadviseurs (zie koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor Preventie en Bescherming op het Werk).

Voorwaarden voor het organiseren van cursussen voor hulpverlener (art. 11)

Basisvorming en bijscholing

De instellingen of werkgevers die een basisvorming en bijscholing willen verstrekken, moeten:

  • er zorg voor dragen dat de inhoud van de cursussen beantwoordt aan de drie doelstellingen vermeld in het vorige punt (basisprincipes, ondersteuning van de vitale functies en andere aandoeningen),
  • beschikken over bekwame lesgevers,
  • beschikken over gepaste lokalen, didactisch materiaal en oefenmateriaal,
  • de cursus derwijze organiseren dat hij minimum 15 lesuren omvat,
  • jaarlijkse bijscholingen organiseren die minimum 4 lesuren omvatten,
  • het aantal cursisten per lesgever en per les beperken tot 15,
  • na het beëindigen van de cursus aan de cursisten een getuigschrift afleveren na een permanente evaluatie van de bekwaamheden. Er is dus noch een test, noch een examen op het einde van de cursus.

Voorheen werd in de reglementering geen enkel criterium vastgelegd met betrekking tot de organisatie van deze cursussen.

Cursussen voor specifieke kennis en vaardigheden

Deze cursussen worden georganiseerd door de instellingen, sectoren, professionele organisaties of werkgevers die voor het geven van de lessen beroep doen op personen of organisaties gespecialiseerd in de eerste hulp aan slachtoffers van ongevallen of van aandoeningen tengevolge van risico’s inherent aan de activiteiten van de onderneming en waarvan de bekwaamheid erkend is. Het is logisch dat de arbeidsgeneesheer betrokken wordt bij de organisatie van deze cursus.

Lijst van instellingen of werkgevers die vorming en bijscholing aan hulpverleners verstrekken (art. 12 en 13)

Procedure om opgenomen te worden op deze lijst

Voor de organisator:

  • de organisator dient een aanvraag in bij de Algemene Directie Humanisering van de Arbeid (HUA),
  • deze aanvraag omvat:
    1. de benaming, statuut en adres van de instelling,
    2. de plaats waar de les wordt gegeven en waar het lesmateriaal zich bevindt,
    3. de kwalificaties van de lesgevers: diploma, ervaring, curriculum, wijze waarop zij zich bijscholen,
    4. een schriftelijke verklaring waarbij de organisator de verbintenis aangaat de voorwaarden om cursussen te organiseren, bedoeld in artikel 11, na te leven (zie hierboven).
     

De aanvraag kunt u opmaken via het on line in te vullen formulier in de module ‘Procedures en formulieren’: Inlichtingen betreffende een aanvraag om opgenomen te worden in lijst (DOC, 50KB). 

Verloop van de procedure:

  • De Algemene Directie HUA gaat na of de aanvraag volledig is.
  • HUA zendt de aanvraag voor onderzoek, verslag en advies naar de Algemene directie TWW.
  • In geval van een gunstig advies van TWW: de organisator wordt opgenomen op de lijst die door HUA wordt gepubliceerd op de website van de FOD.
  • Wanneer de voorwaarden om op de lijst te worden opgenomen niet zijn vervuld (bijvoorbeeld indien na controle door TWW, de inhoud van de cursus niet langer als toereikend wordt beschouwd, indien er per lesgever teveel cursisten aanwezig zijn, indien een lesgever niet langer over de noodzakelijke bekwaamheden beschikt, …) en de organisator de mogelijkheid heeft gehad om zich nader te verklaren, kan hij van de lijst worden geschrapt.
Hoe beroep doen op een organisator van een vorming voor hulpverleners

De organisatoren van een basisvorming voor hulpverleners moeten aan de voorwaarden voldoen die vastgelegd zijn in het koninklijk besluit en hierboven werden uiteengezet.
Eenmaal de algemene directies HUA en TWW hebben vastgesteld dat aan alle voorwaarden is voldaan, worden de organisatoren opgenomen op de lijst van instellingen of werkgevers die vorming en bijscholing aan hulpverleners verstrekken.

Deze lijst kunt u raadplegen in de module ‘Erkenningen’: Lijst van instellingen of werkgevers die vorming en bijscholing aan hulpverleners verstrekken (KB van 15 december 2010)  

Slotbepalingen (art. 15 tot 17)

De oude erkenningen toegekend aan de organismen die de getuigschriften van hulpverlener uitreikten in toepassing van de bepalingen van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB), zijn verstreken op 30 juni 2011, voor zover deze organismen geen nieuwe aanvraag hebben ingediend om opgenomen te kunnen worden op voormelde lijst, onder de voorwaarden die vastgesteld zijn in het koninklijk besluit en hierboven werden uiteengezet. Indien ze aan deze voorwaarden voldoen, worden ze opnieuw opgenomen op de lijst van instellingen of werkgevers die vorming en bijscholing aan hulpverleners verstrekken.
De oude bepalingen van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (art. 174 tot 183 ter) worden opgegeven, en de nieuwe bepalingen van het koninklijk besluit betreffende de eerste hulp die verstrekt wordt aan werknemers die slachtoffer worden van een ongeval of die onwel worden, worden geïntegreerd in de Codex over het welzijn op het werk, met name in een nieuw hoofdstuk van titel I.

Geldigheid van de getuigschriften van hulpverlener toegekend in het kader van de oude reglementering (ARAB)

De getuigschriften van hulpverlener individueel toegekend door de erkende organismen in het kader van artikel 177 van het ARAB zijn getuigschriften toegekend ten persoonlijken titel.
Deze getuigschriften blijven dus geldig indien de houder van dergelijk getuigschrift de jaarlijkse bijscholing volgt onder de voorwaarden voorzien in artikel 10 van het koninklijk besluit.

Brochure

Een meer gedetailleerde brochure met betrekking tot de praktische aspecten kunt u raadplegen of bestellen via de module ‘Publicaties’: Eerste hulp op het werk 

Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites