NL | FR | EN
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken   .be
Logo

Vorming van de preventieadviseur

De aanvullende vorming voor preventieadviseurs is bepaald bij de koninklijk besluiten van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst en betreffende de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Voor de interne diensten worden de ondernemingen gerangschikt in 4 groepen: A, B, C en D volgens het aantal werknemers die zij tewerkstellen en volgens de omvang van het risico dat de werknemers er lopen. De onderstaande tabel geeft het niveau van de aanvullende vorming aan dat vereist is voor de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst en voor de overige preventieadviseurs.

Minimale aanvullende vorming:

Minimale aanvullende vorming
Groep (onderneming of technische bedrijfseenheid) Preventieadviseur belast met de leiding Overige preventieadviseurs

A

Niveau I

Niveau II

B

Niveau II

*

C

*

*

D

*

*

 

 

 

 

 

 

*geen aanvullende vorming vereist maar wel kennis.

Alle preventieadviseurs, zowel voor de groep A, B, C als D moet beschikken over een zekere hoeveelheid kennis, zoals technische kennis op het stuk van risicoanalyse, inzake de coördinatie van de preventieactiviteiten (artikelen 21 en 22 van het koninklijk besluit betreffende de interne diensten).

De externe diensten bestaan uit twee afdelingen: een multidisciplinaire afdeling 'risicobeheersing' en een afdeling 'medisch toezicht'. De afdeling 'risicobeheersing' moet zijn samengesteld uit experts uit de disciplines "arbeidsveiligheid', 'arbeidsgeneeskunde', 'ergonomie', 'industriële hygiëne' en 'psychosociale aspecten van de arbeid'. Die experts moeten een aanvullende vorming hebben gevolgd. De preventieadviseurs-ergonomen, de specialisten in de industriële hygiëne en zij die gespecialiseerd zijn in de psychosociale aspecten van de arbeid moeten een specifiek diploma bezitten, een multidisciplinaire module volgen van 120 uur, een specialisatiecursus volgen van 280 uur en bovendien 5 jaar ervaring aantonen (artikel 22 van het KB betreffende de externe diensten).

Volgens artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk moeten preventieadviseurs in bedrijven met een verhoogd risico - dit zijn de zogenaamde bedrijven A en B - een aanvullende vorming volgen. De preventieadviseurs, bevoegd voor arbeidsveiligheid, van de externe diensten moeten deze vorming ook gevolgd hebben.

Het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 beschreef de inhoud van de vorming en legde voorwaarden op aan de organisatoren van de vorming. Na bijna dertig jaar, maar vooral omwille van de nieuwe principes ingevoerd door de wet welzijn op het werk, was dit koninklijk besluit aan herziening toe.

Het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 werd vervangen door het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

De belangrijkste nieuwigheden inzake vorming zijn de volgende:

  1. De vorming is modulair opgebouwd: ze bestaat uit een basismodule, gevolgd door een specialisatiemodule. De basismodule is multidisciplinair en is dezelfde als deze opgelegd aan de preventieadviseurs van externe diensten bevoegd voor ergonomie, bedrijfshygiëne en psychosociale aspecten van de arbeid, bedoeld in het koninklijk besluit van 5 december 2003.
  2. Zoals vroeger bestaan er vormingen van het eerste niveau en van het tweede niveau. Om niveau I te verwerven moet de cursist die de basismodule gevolgd heeft, de specialisatiemodule niveau I van 280 uren volgen. Deze vorming is van universitair niveau. Voor niveau II moeten de cursisten na de basismodule de specialisatiemodule niveau II van 90 uren volgen.
  3. De overgangscursus van niveau II naar niveau I bestaat niet meer. Personen die de cursus niveau II gevolgd hebben, kunnen, nadat ze vijf jaar ervaring hebben als preventieadviseur, de specialisatiemodule niveau I volgen om het eerste niveau te verwerven.
  4. Elke inrichter van een cursus moet een stuurgroep oprichten die aanbevelingen geeft over de organisatie van de cursus.
  5. De cursussen moeten erkend worden door de Minister van Werk, nadat de vaste operationele commissie van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk advies heeft gegeven. De erkenning kan maximum 5 jaar geldig blijven.
  6. Enkel universiteiten of hogescholen van universitair niveau kunnen cursussen van niveau I inrichten. Zij zijn vrijgesteld van erkenning en van de oprichting van een stuurgroep, op voorwaarde dat zij onderworpen zijn aan een systeem van kwaliteitsbewaking en de administratie hiervan in kennis stellen.
  7. Het koninklijk besluit bevat ook bepalingen over de basiskennis. Verscheidene organisaties verstrekken cursussen om een basiskennis inzake welzijn op het werk te verwerven. De cursussen zijn vooral bedoeld voor preventieadviseurs van bedrijven van groep C, die geen aanvullende vorming moeten volgen. Tot nu toe waren dergelijke cursussen aan geen enkele reglementaire bepaling onderworpen. Het koninklijk besluit bevat enkele bepalingen inzake de inhoud van dergelijke cursussen. Cursussen die aan deze bepalingen beantwoorden kunnen geregistreerd worden door de administratie en op haar website geplaatst worden. Voor alle duidelijkheid: het volgen van deze cursussen is geen verplichting, maar wordt wel aangeraden.
  8. Preventieadviseurs zijn nu verplicht jaarlijks een bijscholing te volgen om op de hoogte te blijven van de wijzigingen in de reglementering over het welzijn op het werk en van de wetenschappelijke en technische vooruitgang in dit domein.

De cursussen die erkend waren op basis van het koninklijk besluit van 10 augustus 1978 blijven geldig voor de duur van hun erkenning.

Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites