NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Comités voor preventie en bescherming op het werk

Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de comités voor preventie en bescherming op het werk fungeert hier als basisbesluit.

Wat wordt verstaan onder comité voor preventie en bescherming op het werk?

Onder comité voor preventie en bescherming op het werk wordt in de eerste plaats verstaan het comité dat bij de sociale verkiezingen door de werknemers werd verkozen. Indien er geen comité verkozen is, neemt de vakbondsafvaardiging in het bedrijf de rol van het comité over en indien er ook geen vakbondsafvaardiging is, moet de werkgever zijn werknemers rechtstreeks raadplegen over de aangelegenheden die hun welzijn op het werk aanbelangen.

Wanneer en op wie is het koninklijk besluit van toepassing ?

Sommige bepalingen van het koninklijk besluit zijn altijd van toepassing. Dit zijn de bepalingen betreffende de opdrachten van het comité (artikelen 2 tot 13) en deze betreffende de verplichtingen van de werkgever (artikelen 14 tot 20). Deze bepalingen moeten nageleefd worden, ongeacht of er een verkozen comité of vakbondsafvaardiging bestaat of niet.

De bepalingen van de artikelen 21 tot 30 betreffende de werking van het comité zijn enkel van kracht wanneer er een verkozen comité is. Ook de bepalingen van artikel 31 over het huishoudelijke reglement zijn alleen van kracht op verkozen comités. Dit betekent niet dat deze bepalingen niet mogen toegepast worden wanneer er geen verkozen comité is. Wanneer er alleen een vakbondsafvaardiging bestaat bijvoorbeeld of in overheidsbedrijven waar geen verkozen comité is, kunnen werkgever en werknemers wel overeenkomen om deze bepalingen toch toe te passen, maar ze zijn niet afdwingbaar.

Een regeling voor de rechtstreekse raadpleging van de werknemers

Bij ontstentenis van een comité en een vakbondsafvaardiging moet de werkgever zijn werknemers zelf rechtstreeks raadplegen over zaken die het welzijn op het werk aanbelangen. De artikelen 31bis tot 31quater schrijven voor welke procedure hierbij moet gevolgd worden.

Specifieke opdrachten van het comité in verband met de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPB)

Artikel 6 van het koninklijk besluit bepaalt dat het comité de activiteiten van de IDPB moet stimuleren en de werking ervan moet opvolgen.
Artikel 10 legt op dat het comité samen met de bevoegde preventieadviseur en het bevoegde lid van de hiërarchische lijn periodiek en minstens eenmaal per jaar een grondig onderzoek moet instellen op al de werkplaatsen waar het comité bevoegd is. Indien het bedrijf meerdere vestigingen heeft en het comité is bevoegd in al deze vestigingen dan moet het comité deze opdracht uitoefenen in al de vestigingen. Indien er echter verschillende comités bestaan in het bedrijf (met andere woorden als er verschillende technische bedrijfseenheden zijn) dan is elk comité slechts bevoegd voor die vestigingen waarvoor het verkozen is. Het comité vergezelt dan de preventieadviseur van de betrokken afdeling van de IDPB.

Indien de IDPB een departement belast met het medisch toezicht omvat, dan moet het comité minstens tweemaal per jaar tijdens zijn vergaderingen aandacht besteden aan de werkzaamheden van het departement op grond van een verslag opgesteld door de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.

Artikel 17 bepaalt dat de werkgever de comitéleden moet toelaten met de preventieadviseur alle contacten te hebben die nodig zijn voor de uitvoering van hun opdrachten.

Akkoord en advies van het comité

Sommige bepalingen van het koninklijk besluit over de IDPB leggen op dat de werkgever alvorens een beslissing te nemen het akkoord van het comité moet vragen. Andere bepalingen spreken over het vragen van een advies. Is er een verschil tussen beide? Er is een verschil: een advies veronderstelt niet noodzakelijk een gemeenschappelijk standpunt. Een akkoord is strikter en veronderstelt minstens een meerderheid. Wanneer een akkoord bereikt is, moet geregeld worden door het huishoudelijk reglement van het comité.

In sommige gevallen is in het koninklijk besluit over de IDPB voorzien dat de werkgever aan een advies van het Comité PBW gevolg moet geven overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van het koninklijk besluit over het comité. Het gaat hier om de vaststelling van de vaardigheden die in de IDPB aanwezig zijn en van de vaardigheden waarvoor de werkgever beroep zal doen op een EDPB (artikel 14 van het koninklijk besluit over de IDPB) en om de samenstelling van de IDPB en de middelen waarover de IDPB zal beschikken (artikel 17 van het koninklijk besluit over de IDPB).

Artikel 19 van het koninklijk besluit betreffende het comité bepaalt dat de werkgever gevolg geeft aan de adviezen binnen de door het comité gestelde termijn of, indien geen termijn is bepaald, uiterlijk binnen de zes maanden.
Indien de werkgever niet overeenkomstig de adviezen heeft gehandeld, er geen gevolg aan heeft gegeven of gekozen heeft onder de uiteenlopende adviezen, deelt hij de redenen hiervan mede aan het comité. Hij verklaart tevens de maatregelen die in gewettigd dringend geval werden genomen zonder het comité vooraf te raadplegen of te informeren.

Het secretariaat van de comitévergaderingen en de andere taken van de IDPB i.v.m. het comité

Wanneer er een verkozen comité is, moet het secretariaat van de comitévergaderingen verzekerd worden door de IDPB en wanneer de IDPB afdelingen omvat, door de betrokken afdeling van de IDPB.

De preventieadviseur belast met de leiding van de IDPB of van de afdeling van de IDPB heeft daarnaast nog de volgende taken:

  1. de adviezen van het comité opstellen;
  2. er voor zorgen dat de notulen van de vergaderingen worden opgesteld;
  3. de vergaderingen bijwonen en er de nodige toelichtingen verstrekken;
  4. er voor zorgen dat de in het eerste lid bedoelde taken worden uitgevoerd.

Deelname aan het comité

Soms wordt gevraagd of de preventieadviseur zelf persoonlijk de notulen van de vergaderingen of de adviezen van het comité moet opstellen. Hij moet wel aanwezig zijn op de comitévergaderingen, maar mag het secretariaat laten doen door één van zijn medewerkers. Hij blijft in elk geval verantwoordelijk voor de notulen en het opstellen van de adviezen, wat inhoudt dat hij ze moet ondertekenen.

Artikel 25 van het koninklijk besluit over het comité bepaalt welke andere personen van de IDPB verder nog aan de comitévergaderingen moeten deelnemen:

  1. de preventieadviseur van het departement belast met het medisch toezicht, dat deel uitmaakt van de interne dienst;
  2. de preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst, wanneer de dienst uit verschillende afdelingen bestaat telkens wanneer zijn aanwezigheid vereist is ingevolge de verhouding die is vastgesteld tussen de centrale dienst en de afdelingen in toepassing van artikel 15 koninklijk besluit van de IDPB;
  3. de andere preventieadviseurs van de interne dienst dan deze bedoeld in 1 en 2, en de preventieadviseurs van de externe dienst, telkens wanneer er op de agenda een punt staat dat behoort tot hun bijzondere bevoegdheid en inzonderheid bij de bespreking van het globaal preventieplan, het jaarlijks actieplan en het medisch jaarverslag;
  4. de afgevaardigden-werklieden bij het toezicht op de graverijen en de groeven, wat de groeven in de open lucht en hun aanhorigheden betreft;
  5. de vertrouwenspersonen telkens wanneer er op de agenda een punt staat dat betrekking heeft op de preventie van psychosociale risico’s op het werk.

Het secretariaat stelt deze personen in kennis van de datum en de agenda van de vergadering.

Het huishoudelijk reglement van het comité voor preventie en bescherming op het werk

Artikel 31 van het koninklijk besluit over het comité verplicht elke werkgever een huishoudelijk reglement op te stellen betreffende de werking van het comité. Dit reglement moet verplicht een aantal punten omvatten, die weergegeven worden in de tabel hieronder. Naast de verplichte punten kunnen nog andere punten in het huishoudelijk reglement opgenomen worden. Het zal hier meestal gaan om praktische regelingen en afspraken, eigen aan het bedrijf, tussen werkgever, preventieadviseur en comitéleden. Om achteraf discussies te vermijden is het aan te bevelen om van deze mogelijkheid zoveel mogelijk gebruik te maken.

Bijzondere economische en sociale bevoegdheden

Het Belgisch Staatsblad van 16 mei 2008 publiceerde de wet van 23 april 2008 tot aanvulling van de omzetting van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap. Deze wet treedt in werking op de dag van haar publicatie.

Deze wet beoogt de volledige omzetting in Belgisch recht te verzekeren van de richtlijn 2002/14/EG, die een recht creëert voor de werknemers op informatie en raadpleging via  hun vertegenwoordigers over bepaalde economische en financiële aspecten en over bepaalde aspecten van de werkgelegenheid, arbeidsorganisatie en arbeidsovereenkomsten.

De wet van 23 april 2008 zorgt ervoor dat dit recht op informatie en raadpleging over de materies bedoeld door de richtlijn verzekerd is in de ondernemingen die tussen 50 en 99 werknemers tellen en geen ondernemingsraad of vakbondsafvaardiging hebben. Hiertoe voorziet de wet een uitbreiding van de bevoegdheden van het comité voor preventie en bescherming op het werk.

De werkgevers van deze ondernemingen zijn nu verplicht om het comité voor preventie en bescherming op het werk te informeren en te raadplegen over de economische en financiële toestand en toekomst van het bedrijf.

Meer informatie hierover, zie de toelichting 'Informatie en raadpleging van de werknemers: bijkomende economische en sociale bevoegdheden van het CPBW'.

Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites