NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Werken met derden

Probleemstelling

Een onderneming (opdrachtgever) kan voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden een beroep doen op een andere onderneming (onderaannemer) die met haar eigen werknemers bij de opdrachtgever die werkzaamheden zal komen uitvoeren.  De relatie tussen de onderneming-opdrachtgever en de onderneming-onderaannemer vertoont de volgende kenmerken:

  • de opdrachtgever besteedt bepaalde werkzaamheden uit aan een onderaannemer die volledig zelfstandig deze werkzaamheden uitvoert.  Hij handelt dus niet onder het gezag van de opdrachtgever.  De werknemers van de onderaannemer blijven onder diens gezag werken.  Hun arbeidsovereenkomst wordt niet gewijzigd en de opdrachtgever oefent over hen geen enkel gezag uit.

    Deze situatie verschilt volledig van de uitzendarbeid, waarbij de werkgever een overeenkomst sluit met een uitzendbureau dat zijn werknemers, nl. de uitzendkrachten, ter beschikking stelt van die werkgever, die in die context de gebruiker wordt genoemd.  Wanneer uitzendkrachten in een onderneming worden tewerkgesteld, staat de gebruiker krachtens artikel 19 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, in voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid welke gelden op de plaats van het werk.  Dit is o.a. het geval voor de bepalingen betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers.  Volgens die wetgeving wordt de gebruiker dus gelijkgesteld met de werkgever voor de naleving van die verplichtingen.

  • de aard van de werkzaamheden die worden uitbesteed kan zeer verscheiden zijn. Het kan gaan om onderhoudswerkzaamheden, om bepaalde werkzaamheden die van zeer technische aard zijn en waarvoor de opdrachtgever niet over voldoende kennis beschikt. Soms gaat het om werkzaamheden die door de opdrachtgever worden uitbesteed. De werkzaamheden als dusdanig kunnen al dan niet risicovol zijn, zodat de onderaannemer een verhoogd risico in de onderneming van de opdrachtgever kan binnenbrengen.

  • de onderaannemer kan zelf, wanneer hij bij een opdrachtgever komt werken, geconfronteerd worden met specifieke risico's eigen aan die opdrachtgever die van invloed zijn op de risico's aanwezig in zijn eigen onderneming. Hij wordt dus bij de uitoefening van zijn werkzaamheden geconfronteerd met een omgeving die al dan niet risico's inhoudt.

  • ten slotte kan er op gewezen worden dat al naargelang de grootte, de aard en de deskundigheid van de ondernemingen die betrokken zijn bij de werkzaamheden de praktische mogelijkheid tot risicobeheersing eerder bij de opdrachtgever of eerder bij de onderaannemer ligt.

Voorbeeld 1

Wanneer een advocatenbureau met een drietal werknemers een beroep doet op een elektricien, is dat omdat dat bureau hierover geen enkele know-how heeft en zal de onderaannemer die de elektriciteitswerken uitvoert in feite moeten instaan voor de risicobeheersing. Dit belet nochtans niet dat ook het bureau zelf bepaalde maatregelen moet nemen, zoals bijvoorbeeld inzake brandveiligheid.

Voorbeeld 2

Wanneer een groot petrochemisch bedrijf bepaalde onderhoudswerkzaamheden uitbesteedt, zal dit bedrijf de onderhoudsfirma de nodige informatie moeten geven betreffende de risico's van de petrochemie, zodat de onderhoudsfirma de juiste keuzen kan maken om de risico's eigen aan het onderhoud te beperken en om geen risico te betekenen voor de werknemers die in het petrochemisch bedrijf werken. Hier komt het veeleer aan de opdrachtgever toe te waken over de risicobeheersing. Nochtans blijft de onderaannemer zelf volledig verantwoordelijk voor zijn eigen risico's.

Algemene kenmerken van de wetgeving in verband met werken met derden

De wet van 4 augustus 1996 behandelt op een geïntegreerde wijze het werken met derden.  Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met onderaannemers die werkgevers zijn, maar wordt ook rekening gehouden met onderaannemers die hun activiteit als zelfstandige uitoefenen. Het gaat hier om een belangrijke uitbreiding naar een categorie van personen die normaal niet onderworpen zijn aan de bepalingen van de welzijnswet. In dit geval werd het echter noodzakelijk geoordeeld ook voor deze zelfstandigen een aantal concrete verplichtingen vast te stellen, omdat de aanwezigheid van buitenstaanders - of zij nu werknemers of zelfstandigen zijn - voor de werknemers van de opdrachtgever een verhoogd risico kan inhouden.

De wet viseert impliciet niet enkel de relaties tussen de werkgever-opdrachtgever en zijn onderaannemers, maar ook de verhouding tussen de opdrachtgever en de onderaannemers van de onderaannemers.

De welzijnswet regelt enerzijds de informatie-uitwisseling, de samenwerking en de coördinatie tussen de verschillende betrokken partijen, en stelt anderzijds een systeem vast waardoor de opdrachtgever ervoor kan zorgen dat de wetgeving daadwerkelijk wordt toegepast door de onderaannemers.

De bepalingen met betrekking tot werken met derden zijn niet van toepassing wanneer de coördinatie van toepassing is volgens de regels voor de tijdelijke of mobiele werkplaatsen.

De rechtsverhouding tussen de werkgever-opdrachtgever en de werkgever-onderaannemer

Artikel 8 van de wet bepaalt de respectievelijke verplichtingen van de werkgever-opdrachtgever en de werkgever-onderaannemer, op het vlak van informatie-uitwisseling, coördinatie en samenwerking.

A. De verplichtingen van de werkgever-opdrachtgever

  • de opdrachtgever moet aan de onderaannemer de nodige informatie verstrekken ten behoeve van zijn werknemers met betrekking tot de risico's en de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers eigen aan zijn inrichting ;
  • de opdrachtgever moet zich ervan vergewissen dat de werknemers van de onderaannemers de passende instructies inherent aan zijn bedrijfsactiviteiten hebben ontvangen Bovendien moet de opdrachtgever zich ervan vergewissen dat de werknemers een passende opleiding hebben genoten die inherent is aan de activiteiten van de onderneming van de opdrachtgever;
  • de opdrachtgever moet het optreden van de onderaannemers coördineren en de samenwerking waarborgen tussen hen en zijn eigen onderneming bij de uitvoering van de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.  De verplichting om het initiatief voor de coördinatie en samenwerking te nemen  wordt uitdrukkelijk bij de opdrachtgever gelegd.  Het is logisch dat dit de werkgever is bij wie de werkzaamheden worden uitgevoerd, aangezien deze het best de risico's in zijn onderneming kent, evenals de preventie- en beschermingsmaatregelen die moeten in acht genomen worden.  Hij is ook de enige die een overzicht kan hebben over de verschillende onderaannemers die op een bepaald moment in zijn inrichting aanwezig zijn.

B. De verplichtingen van de werkgever-onderaannemer

  • de onderaannemer moet aan de werkgever-opdrachtgever de nodige informatie verstrekken betreffende de risico's eigen aan zijn werkzaamheden;
  • de onderaannemer moet zijn medewerking verlenen aan de coördinatie en samenwerking.

De wijze waarop de hierboven bedoelde informatie wordt verstrekt, moet nader bepaald worden bij koninklijk besluit.  Dit besluit zal daarbij rekening houden met de risicograad en de omvang van de onderneming.

In bepaalde gevallen kan het aangewezen zijn dat de opdrachtgever de werknemers van de onderaannemer rechtstreeks informeert.  Ook deze mogelijkheid wordt voorzien in de wet.  Dit is bijvoorbeeld het geval in ondernemingen met grote risico's, zoals de petrochemie, waar er een specifieke opleiding en precieze instructies vereist zijn.

De beide betrokken partijen die deze bepalingen overtreden, kunnen elk voor hun eigen verplichtingen strafrechterlijk worden vervolgd.  De strafsanctie bestaat uit een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of/en een geldboete van 50 tot 2.000 € (te vermenigvuldigen met 5,5).  De administratieve geldboete bedraagt 250 tot 2500 €.

C. De samenwerking tussen opdrachtgever en onderaannemer

Artikel 9 bepaalt op welke wijze de opdrachtgever tot een efficiënte samenwerking met de onderaannemer kan komen om zo de doelstellingen van de wetgeving te bereiken, met name het bevorderen van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk o.a. door het voorkomen van arbeidsongevallen en beroepsziekten.  Dit houdt in dat aan de opdrachtgever een aantal concrete verplichtingen worden opgelegd, maar tezelfdertijd worden hem een aantal wettelijke middelen ter beschikking gesteld om die verplichtingen ook te kunnen nakomen.

De opdrachtgever moet de onderneming weren waarvan hij kan weten dat de werkgever de wetgeving in verband met veiligheid en gezondheid van de werknemers niet naleeft.  Dit kan volgens het verslag van de kamercommissie blijken uit de volgende elementen:

  • de informatie die de opdrachtgever opvraagt bij de werkgever-onderaannemer zelf;
  • de vaststelling dat de werkgever al dan niet beantwoordt aan bepaalde eisen van het lastenboek;
  • het feit dat een bedrijf beschikt over een kwaliteitslabel, zoals bijvoorbeeld over het eigenlijk uit Nederland stammende 'VCA'-certificaat (Veiligheidschecklist Aannemers), of over het BeSaCC-attest (Begian Safety Criteria for Contractors). Eenmaal toegekend, bevestigt dit BeSaCC-attest dat de organisatie en het beleid van de onderneming beantwoorden aan de BeSacc-criteria. Het VBO heeft immers in samenspraak met alle betrokken sectoren en overheden een lijst met veiligheidscriteria opgesteld. Van een onderneming die de lijst met criteria naleefd, mag worden aangenomen dat zij aan de wettelijke vereisten voldoet.

Ook kan informatie opgevraagd worden bij andere opdrachtgevers waarvoor een onderaannemer reeds heeft gewerkt.  Er kan opgemerkt worden dat het vaststellen van specifieke eisen in het lastenboek nu reeds gebeurt in heel wat grote bedrijven.  In de openbare besturen is het belangrijk de nodige aandacht te besteden aan alle documenten (selectiecriteria, gunningsvoorwaarden en lastenboek) op basis waarvan de aanbesteding kan gebeuren en hierin eisen met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk op te nemen.

Tussen de opdrachtgever en de onderaannemer moet een overeenkomst worden gesloten.  Dit contract is een belangrijk instrument om de rechten en plichten van de beide partijen nauwkeurig af te bakenen.  Nochtans ligt de betekenis van deze overeenkomst vooral hierin dat het voor de opdrachtgever het juridisch middel bij uitstek is om de in artikel 9, eerste lid, 1° en 3° vermelde doelstellingen te bereiken en aldus de vastgestelde verplichtingen te kunnen nakomen.  Via de overeenkomst kan nogmaals duidelijk worden gesteld dat de onderaannemer de wetgeving betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk moet naleven.  Tevens geeft het contract aan de opdrachtgever een juridisch middel om de naleving van de wetgeving van de onderaannemer af te dwingen.  Er kan immers een vorm van controle op deze naleving georganiseerd worden.  Daarbij ligt de nadruk op het feit dat de onderaannemer zelf deze maatregelen moet nemen, maar wanneer hij nalatig is geweest, heeft de opdrachtgever het contractueel recht om zelf in te grijpen.  Door dit recht in het contract op te nemen beschikt de opdrachtgever tegenover de onderaannemer over een juridisch middel dat hem ertoe in staat stelt om,  via de bij artikel 9, eerste lid, 3° opgelegde verplichting,  zelf maatregelen te nemen .

De overeenkomst bedoeld in artikel 9, eerste lid, 2° moet schriftelijk worden vastgesteld.  Hoewel het contractenrecht beheerst wordt door het principe van het "consensualisme", d.w.z. dat de overeenkomst tot stand komt door de loutere wil van de partijen, zou een louter mondelinge overeenkomst afbreuk doen aan de rechtszekerheid van beide partijen. Bovendien zal het hier meestal gaan om overeenkomsten die een bedrag van meer dan 375 euro betreffen, zodat deze overeenkomst alleen door middel van een geschrift kan bewezen worden.  Hoewel de bewoordingen van het artikel niet uitdrukkelijk bepalen dat de overeenkomst schriftelijk moet worden opgesteld, lijkt dit toch de bedoeling te zijn geweest van de wetgever.  Dit blijkt o.a. uit het feit dat de toenmalige minister van Tewerkstelling en Arbeid in de bevoegde Kamercommissie heeft verklaard dat voor KMO's type-contracten kunnen worden uitgewerkt.  Alleszins hebben beide partijen er alle belang bij de overeenkomst schriftelijk vast te stellen.  Dit geldt zeker voor de opdrachtgever aan wie een aantal strafrechtelijk gesanctioneerde verplichtingen werden opgelegd.

De overeenkomst moet ten minste de volgende bedingen bevatten:

  • de verbintenis van de onderaannemer tot naleving van de verplichtingen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk die eigen zijn aan de inrichting van de opdrachtgever en die op hem van toepassing zijn;
  • het recht voor de opdrachtgever zelf de nodige maatregelen te treffen, indien de onderaannemer nalatig is geweest.

Deze beide bedingen zijn echter een absoluut minimum en zij worden best aangevuld met meer concrete bepalingen zoals bijvoorbeeld:

  • een lijst van de door de onderaannemer te verstrekken informatie;
  • een lijst van de verplichtingen die eigen zijn aan de inrichting van de opdrachtgever en die door de onderaannemer moeten nageleefd worden;
  • de wijze waarop de onderaannemer die verplichtingen moet naleven;
  • de wijze waarop de opdrachtgever kan controleren of de verplichtingen door de onderaannemer worden nageleefd;
  • de gevolgen bij niet-naleving van deze verplichtingen zoals het recht voor de opdrachtgever zelf de maatregelen te treffen, schadevergoeding en de ontbinding van de overeenkomst;
  • de mogelijkheid om de kosten te verhalen op de onderaannemer en de wijze waarop dit gebeurt, indien de opdrachtgever zelf de maatregelen moet nemen;
  • de wijze waarop de ingebrekestelling gebeurt en aan wie ze wordt medegedeeld;
  • de verplichtingen van de opdrachtgever inzake het verstrekken van inlichtingen over de risico's en de preventiemaatregelen eigen aan de inrichting;
  • de verplichting van de opdrachtgever het initiatief te nemen voor coördinatie en samenwerking;
  • de verplichting voor de opdrachtgever rekening te houden met de specifieke preventiemaatregelen die de onderaannemer zelf toepast en die interfereren met de maatregelen eigen aan de inrichting van de opdrachtgever;
  • de wijze waarop de onderaannemer van de opdrachtgever kan afdwingen dat met deze maatregelen rekening wordt gehouden.

Indien de onderaannemer de maatregelen in verband met het welzijn van de werknemers eigen aan de inrichting niet neemt of zijn verplichtingen gebrekkig naleeft en dus nalatig is geweest, moet de opdrachtgever zelf de nodige maatregelen treffen, na ingebrekestelling van de onderaannemer.

Deze bepaling houdt in dat de opdrachtgever een zekere controle moet uitoefenen op de activiteiten van de onderaannemer.  Deze controle kan bijvoorbeeld gebeuren door de plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd regelmatig te laten bezoeken door een vertegenwoordiger van de opdrachtgever, door bij wijze van steekproef werknemers van de onderaannemer te ondervragen over de instructies die moeten worden nageleefd, of nog door een ploegbaas toezicht te laten houden op de werkzaamheden die door de onderaannemer worden verricht wanneer deze werkzaamheden worden verricht in een bedrijfsruimte van de opdrachtgever, waar ook diens werknemers werken.

Indien de opdrachtgever vaststelt dat de onderaannemer nalatig is, moet hij hem in gebreke stellen. De ingebrekestelling is de formele verwittiging, door de schuldeiser (hier de opdrachtgever) aan de schuldenaar (hier de onderaannemer) betekend, krachtens dewelke aanspraak wordt gemaakt op uitvoering van de verplichtingen. Vanaf dat ogenblik bestaat er geen twijfel meer betreffende de gezindheid van de schuldeiser, zodat de schuldenaar die niet presteert, rechtsgevolgen zal ondergaan. De ingebrekestelling helpt de schuldenaar: zij wijst hem op zijn verplichtingen . Enerzijds wordt dus vastgesteld dat de aannemer de verbintenis niet is nagekomen doordat hij de maatregelen niet genomen heeft of zijn verplichtingen gebrekkig naleeft.  Anderzijds wordt hij aangemaand zijn verplichtingen na te komen.  Door de ingebrekestelling krijgt de onderaannemer de mogelijkheid alsnog zijn verplichtingen na te komen.  Het is derhalve niet mogelijk dat de opdrachtgever onmiddellijk na de ingebrekestelling zelf reeds de maatregelen zou nemen.  De ingebrekestelling veronderstelt immers dat aan de onderaannemer de kans wordt gegeven de toestand te regulariseren.  Hoewel de opdrachtgever dus niet onmiddellijk in de plaats van de onderaannemer kan optreden, kan hij wel bewarende maatregelen treffen en bijvoorbeeld in afwachting de werken laten stilleggen, wanneer er een dreigend gevaar is. Ook kan hij aan de onderaannemer een zeer korte termijn opleggen om de toestand te regulariseren.

De ingebrekestelling is een formele handeling.  Dit impliceert dat zij niet mondeling kan gebeuren, maar dat een geschrift vereist is.  Een gewone brief en zelfs een fax kunnen volstaan, hoewel de voorkeur wordt gegeven aan een aangetekende brief, omdat alleen deze brief een vaste datum heeft die het mogelijk maakt de termijn om de toestand te regulariseren te bepalen.

De ingebrekestelling wordt in principe betekend aan de onderaannemer zelf, die het contract gesloten heeft.  Maar zij kan ook betekend worden aan de personen die hem rechtsgeldig kunnen vertegenwoordigen, zoals een lasthebber of een aangestelde die een gedeelte van het gezag van de werkgever uitoefent.

Het is belangrijk te onderlijnen dat deze verplichting slechts slaat op de aspecten van de wetgeving die eigen zijn aan de inrichting waarin de onderaannemer zijn werkzaamheden komt uitvoeren.  Het gaat dus in feite om de verplichtingen die voortvloeien uit de risico's van de opdrachtgever, daar ook het welzijn van de eigen werknemers van de opdrachtgever kan worden bedreigd.  De verantwoordelijkheid van de opdrachtgever slaat op deze elementen en niet op de verplichtingen die eigen zijn aan de onderaannemer.  Deze blijft volledig verantwoordelijk voor het welzijn van zijn eigen werknemers.

De toepassing van deze wetgeving in de praktijk zal moeten uitwijzen of het nodig zal zijn het onderscheid tussen de verplichtingen die eigen zijn aan de inrichting van de opdrachtgever en de verplichtingen die eigen zijn aan de onderaannemer nader te bepalen bij koninklijk besluit.  De mogelijkheid wordt hiertoe voorzien in de wet.  De maatregelen inzake brandveiligheid en specifieke persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen bijvoorbeeld beschouwd worden als verplichtingen eigen aan de inrichting.  De maatregelen inzake werkkleding en medisch toezicht zijn daarentegen duidelijk niet eigen aan de inrichting.

Soms kan het nuttig zijn dat de opdrachtgever zelf optreedt als lasthebber van de onderaannemer.  In dat geval blijft de onderaannemer de eindverantwoordelijke, maar kan de opdrachtgever in naam en voor rekening van die onderaannemer de nodige maatregelen treffen.  Dit kan bij overeenkomst worden bepaald.  Een dergelijke regeling is voorzien in de Euratom-richtlijn 90/641 van 4 december 1990 over werken met derden.

De rechtsverhouding tussen de werkgever-opdrachtgever en de zelfstandige onderaannemer

Het systeem dat in de wet is uitgewerkt ten aanzien van zelfstandigen is analoog aan datgene wat geldt voor de werkgevers.  Enerzijds wordt er voorzien in een uitwisseling van informatie en een samenwerkings- en coördinatieplicht.  Anderzijds wordt aan de opdrachtgever de verplichting opgelegd de zelfstandige die onveilig werkt te weren.  Tevens moet de opdrachtgever met de zelfstandige een overeenkomst sluiten waarin is vermeld dat deze de bepalingen van de welzijnswet die van toepassing zijn in het bedrijf waar hij komt werken zal naleven, en die ook bepaalt dat de opdrachtgever indien nodig zelf de noodzakelijke maatregelen kan treffen.  Tot slot moet de opdrachtgever zelf de maatregelen nemen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk indien de zelfstandige in gebreke blijft.

De zelfstandige moet op zijn beurt informatie verstrekken over de risico's eigen aan zijn werkzaamheden, de verplichtingen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eigen aan de inrichting naleven en medewerken aan de coördinatie en samenwerking.

Een en ander kan of moet, zoals wanneer een beroep gedaan wordt op een onderaannemer-werkgever, nader gepreciseerd worden bij koninklijk besluit.  Aangezien het statuut van de zelfstandige hier in het geding kan zijn, moet voor dergelijke besluiten het advies gevraagd worden van de minister tot wiens bevoegdheid de middenstand behoort.

De opdrachtgever is krachtens artikel 85 strafbaar met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of/en een geldboete van 50 tot 1.000 € (te vermenigvuldigen met 5,5).  Er kan een administratieve geldboete van 250 tot 2500 € opgelegd worden.  De zelfstandige kan een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar of/en een geldboete van 26 tot 500 € (te vermenigvuldigen met 5,5) oplopen in toepassing van artikel 88.  Voor hem is er niet voorzien in een administratieve geldboete.

Advies van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites