NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Verlichting

Algemene bepalingen

De werkplaatsen moeten steeds behoorlijk verlicht zijn, tenzij het werk in het duister of met een aangepaste verlichting dient te geschieden.

Gedurende de dag moet er op de arbeidsplaats voldoende daglicht binnenkomen.

Is dit niet mogelijk ingevolge de bouw van de plaatsen of ingevolge technische behoeften, dan mogen de werkplaatsen met kunstmatige verlichting worden verlicht.

De werkgever bepaalt, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen moet beantwoorden, teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen.

Minimumeisen voor een goede verlichting

De werkgever die de vereisten van de norm NBN EN 12464-1 (verlichting van de werkplekken binnen) en de norm NBN EN 12464-2 (verlichting van de werkplekken buiten) toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting, wordt vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met de wetgeving.

Wanneer de werkgever deze normen niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan volgende voorwaarden:

  1. De verlichtingssterkte op de werkposten

    De gemiddelde verlichtingssterkte op het werkvlak wordt gemeten op het werkvlak of bij afwezigheid van een werkvlak op 0,85 m hoogte van de grond en is ten minste:
    • 200 lux voor refter, kleedkamer, wasplaats, landbouwactiviteiten, brouwerij, ruw assembleerwerk;
    • 300 lux voor bakkerij, machinewerk, middelmatig precies assembleerwerk, fruit sorteren, wasserij, lassen, garage, receptie, kopieerwerk, kinderopvang, klaslokaal, auditorium, sporthal;
    • 500 lux voor EHBO-lokaal, laboratoria, controleruimten, precisie machinewerk, fijn assembleerwerk, autoassemblage, keuken, slachthuis, productcontrole, kapsalon, schoenmakerij, boekbinderij, drukkerij, spinnerij, weverij, houtbewerking, bureauwerk, vergaderzaal;
    • 750 lux voor glasbewerking, materiaalinspectie, precisie assemblage, naaiwerk, verfspuiten, technisch tekenen;
    • 1000 lux voor precisiewerk, kleurinspectie, juweelproductie, medisch onderzoekslokaal;
     
  2. De verlichtingssterkte op plaatsen die enkel dienen voor verplaatsing

    De verlichtingssterkte wordt gemeten op de vloer en is ten minste:
    • 5 lux voor kolenopslag, houtopslag, stapelplaatsen met occasioneel verkeer, buitengelegen doorgangen voor voetgangers, autoparking;
    • 10 lux voor algemene verlichting van havens, risicovrije zones in de petrochemie en gelijkaardige industrieën, opslag van verzaagd hout, wegen voor traag (minder dan 10 km per uur) verkeer van bijvoorbeeld fietsen of heftrucks;
    • 20 lux voor auto- en containeropslagplaatsen in havens, normaal autoverkeer, in- en uitritten van parkings;
    • 50 lux voor industrieterreinen, opslagzones buiten, risicogebieden in havens, olieopslagtanks, koeltorens, pompgemalen, waterzuiveringsinstallaties, plaatsen voor laden en ontladen, materiaalbehandeling in havens, bouwwerf, opslaghal zonder manueel werk;
    • 100 lux voor verplaatsingszones in het bedrijf, gangen, trappen, liften, magazijnen.
     
  3. Indien er werknemers zijn met een grotere lichtbehoefte omwille van oogafwijkingen of leeftijd moet de verlichtingssterkte hier aan aangepast worden.
     
  4. Indien op een werkvlak een gemiddelde verlichtingssterkte groter dan 200 lux nodig is mag zij bekomen worden door middel van een plaatselijke kunstverlichting, mits de installatie voor algemene verlichting alleen reeds, in elk geval, op dezelfde plaats een lichtsterkte van minimum 200 lux verzekert.
     
  5. De verlichting van het werkvlak moet gelijkmatig verdeeld zijn. Snelle en sterke overgangen in de verlichtingssterkte van het werkvlak en de onmiddellijk aangrenzende zone moeten vermeden worden.
     
  6. De lampen mogen geen flikkering of stroboscopieverschijnselen vertonen.
     
  7. Er mag geen hinderlijke verblinding door directe of indirecte waarneming van heldere lichtbronnen in het gezichtsveld optreden.
     
  8. De kunstmatige verlichting mag de kleuren van de veiligheids- en gezondheidssignalering en de pictogrammen niet wijzigen. De lampen die gebruikt worden voor de verlichting van het werkvlak hebben een kleurweergave-index van 80 of meer en een kleurtemperatuur die aangepast is aan de taak.
     
  9. Bij de keuze van de soort en de plaatsing van de lampen moeten de veiligheidsrisico’s die onderhoud en vervanging van lampen met zich meebrengen in rekening gebracht worden.

Noodverlichting op de arbeidsplaatsen

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een verlichting die bijdraagt aan de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden en die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw. De sterkte van deze verlichting mag niet minder zijn dan 10 % van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak.

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites