NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Jongeren op het werk

Toelichting over het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de bescherming van de jongeren op het werk

Welke jongeren vallen onder het toepassingsgebied?

  • de minderjarigen tussen 15 en 18 jaar die niet meer onder de voltijdse leerplicht vallen;
  • de studenten die met de werkgever een arbeidsovereenkomst hebben gesloten voor een tewerkstelling als student (ongeacht de leeftijd van de student);
  • de personen die een opleiding genieten in een onderneming krachtens een leerovereenkomst (in de middenstandsopleiding of het industrieel leerlingenwezen - ongeacht de leeftijd);
  • de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht.

Waarom is dit KB er gekomen?

Dit besluit is het resultaat van de verplichting vanuit Europa tot omzetting van de Europese Richtlijn 94/33/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk.

De richtlijn beoogt vnl. de bescherming van de personen onder de 18 jaar met een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, aangezien deze jongeren beschouwd moeten worden als een groep met bijzondere risico's en dat maatregelen moeten worden getroffen inzake hun gezondheid en veiligheid. Jongeren zijn zich, aldus de richtlijn, door hun gebrek aan ervaring of doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid, niet bewust van werkelijke of mogelijke risico's.

De richtlijn bepaalt onder meer dat wanneer uit de beoordeling van de risico's is gebleken dat de veiligheid, de lichamelijke of geestelijke gezondheid of de ontwikkeling van deze jongeren gevaar loopt, er moet gezorgd worden dat de gezondheid van deze jongeren kosteloos, passend en op gezette tijden wordt beoordeeld en gecontroleerd.

De richtlijn is dus minder streng dan het KB jongeren dat steeds gezondheidstoezicht voorziet voor -18 jarigen en ook van toepassing is op sommige +18-jarigen.

Hoe werd deze richtlijn omgezet naar Belgisch recht?

Men diende bij de omzetting rekening te houden met de bestaande regelgeving, nl. met artikel 124, §1, 5° van het Algemeen reglement voor de arbeidsbescherming dat stelde dat het veralgemeend gezondheidstoezicht van toepassing was op werknemers beneden de 21 jaar.
De richtlijn bevat immers een niet-verlagingsclausule die bepaalt dat het beschermingsniveau dat de lidstaat reeds heeft, door de bepalingen in de richtlijn niet mag dalen.

Bij de oorspronkelijke versie van het KB jongeren (versie 1999) had het personeel toepassingsgebied betrekking op de volgende personen die de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hadden:

  • werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst;
  • personen verbonden door een leerovereenkomst;
  • stagiairs;
  • jobstudenten.

Voor al deze personen was voorafgaande gezondheidsbeoordeling vereist wanneer zij voor de allereerste keer werden tewerkgesteld en wanneer zij nachtarbeid verrichtten.

Door het KB van 21 september 2004 betreffende de bescherming van stagiairs wordt de categorie van stagiairs uit het KB jongeren gehaald en tegelijkertijd wordt dit veralgemeend gezondheidstoezicht voor alle jongeren die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt afgeschaft. In de plaats hiervan komt er een specifiek gezondheidstoezicht in functie van de risico's eigen aan jongeren op het werk. Concreet betekent dit dat vanaf de leeftijd van 18 jaar er steeds moet gekeken worden naar de risico's waaraan de jongere wordt tewerkgesteld om te bepalen of gezondheidstoezicht al dan niet vereist is.

Als verantwoording voor deze verlaging van de leeftijd werd er eerst en  vooral verwezen naar de principes van de richtlijn (bescherming van jongeren beneden 18 jaar). Bovendien is een persoon medisch gezien volgroeid vanaf de leeftijd van 18 jaar, zodat specifieke risico's eigen aan de leeftijd van de jongere zich enkel voordoen bij minderjarigen.

Wat staat er verder in het KB jongeren?

De werkgever voert een analyse uit van risico's waaraan jongeren bij hun arbeid blootgesteld zijn, met het oog op het beoordelen van alle risico's voor de veiligheid, de lichamelijke en geestelijke gezondheid of de ontwikkeling.

Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat  jongeren vaak een ontoereikende aandacht hebben voor veiligheid en dat hun ontwikkeling soms nog niet is voltooid.

De risicoanalyse moet gebeuren voor het begin van de arbeid en jaarlijks worden hernieuwd. Een hernieuwing dient ook te gebeuren bij een wijziging van de werkpost.

Op grond hiervan worden preventiemaatregelen genomen om risico's te voorkomen, schade te voorkomen, schade te beperken.

Een van de mogelijke preventiemaatregelen betreft het verbod van bepaalde blootstellingen, werkzaamheden en werkposten zoals opgenomen in de bijlage bij het besluit.

Verboden is ook deze arbeid:

  • welke jongeren objectief gezien (lichamelijk of psychisch) niet aankunnen;
  • waardoor jongeren worden blootgesteld aan giftige of carcinogene stoffen;
  • welke blootstelling inhoudt aan ioniserende straling;
  • welke risicofactoren inhoudt voor ongevallen waarvan men vermoedt dat jongeren die niet beseffen of niet kunnen voorkomen;
  • welke jongeren kunnen blootstellen aan extreme koude, hitte, lawaai, trillingen.

Dit verbod is echter niet absoluut.

Wanneer het immers onontbeerlijk is voor hun beroepsopleiding dat jongeren een gevaarlijke activiteit uitoefenen of met gevaarlijke stoffen en preparaten omgaan of met een gevaarlijke machine rijden (echter niet voor student-werknemers), kunnen jongeren een dergelijke arbeid uitvoeren.
Bijkomende te vervullen voorwaarden hierbij zijn :

  • de werkgever vergewist zich van effectiviteit van preventiemaatregelen en van de controle van de  preventiemaatregelen door de hiërarchische lijn;
  • activiteiten gebeuren in aanwezigheid van een ervaren werknemer

Ook student-werknemers vanaf 18 jaar voorzover hun studierichting overeenstemt met de werkzaamheden waarvoor de verbodsbepaling geldt (bv. een student ingenieur die laswerk verricht), mogen een gevaarlijke activiteit uitoefenen of met gevaarlijke stoffen en preparaten omgaan of met een gevaarlijke machine rijden. Er mogen evenwel geen gemotoriseerde transportwerktuigen worden bestuurd. Uitzondering hierop vormen de niet-stapelende gemotoriseerde transportwerktuigen. Deze mogen onder welbepaalde voorwaarden immers wel door meerderjarige jobstudenten worden bestuurd:

  • het gaat om een platform(hef)truck of palettruck;
  • de werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de jobstudenten voldoende zin voor verantwoordelijkheid hebben en zij een adequate opleiding hebben gekregen voor het veilig besturen van deze arbeidsmiddelen;
  • er is een permanente actie vereist van de bedieningsorganen;
  • de snelheid is beperkt tot 6 km/u (indien men er naast loopt) of 16 km/u (indien men meerijdt).

Gemotoriseerde transportwerktuigen met geringe hefhoogte met meelopende bestuurder waarvan de snelheid beperkt is tot 6 km/u mogen eveneens bediend worden door minderjarige studenten-werknemers vanaf 16 jaar. (Meer informatie hierover: zie de interpretatieve nota).

Het voorafgaand advies van de preventieadviseur is vereist evenals het voorafgaand advies van het CPB.  

Een andere preventiemaatregel betreft het nemen van de nodige maatregelen voor onthaal en begeleiding:

Deze maatregel moet voor de tewerkstelling gebeuren, na advies van de PA die de leiding heeft over de interne dienst en na advies comité

Doel van deze maatregel is het bevorderen van de aanpassing en integratie van jongeren in werkomgeving en ervoor zorgen dat ze in staat zijn werk naar behoren uit te oefenen.

Deze maatregelen zijn erg belangrijk, aangezien onvoldoende toezicht één van de redenen is voor het hoge percentage arbeidsongevallen van werknemers tussen 18 en 24 j. (= helft hoger dan andere categorieën werknemers).

Zo kan er een peter of meter worden aangeduid om de jongere op de werkvloer te begeleiden.

De persoon die wordt aangeduid moet zelf ook een goede training krijgen op gebied van risico's. Bovendien moet hij/zij op de hoogte zijn van werkzaamheden die verplicht onder toezicht moeten gebeuren.

Er moet door de werkgever voldoende tijd worden toegekend aan deze persoon om deze taak naar behoren te volbrengen en hij/zij moet het nodige gezag daartoe hebben.

Het is tevens belangrijk dat de peter of meter de jongere aanmoedigt tot participatie, tot het stellen van vragen over de risico's op het werk, tot het bespreken en melden van eventuele gevaren die ze zien.

Gezondheidstoezicht

De jongere kan onderworpen worden aan twee types van onderzoeken:

  1. passend gezondheidstoezicht overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Het betreft hier het uitoefenen van een veiligheidsfunctie, een functie met verhoogde waakzaamheid, een activiteit met welbepaald risico en een activiteit verbonden aan voedingswaren;
     
  2. specifiek gezondheidstoezicht dat bestaat uit een voorafgaande en een periodieke gezondheidsbeoordeling voor de jongeren die minderjarig zijn, nachtarbeid (tussen 20u. en 6u) verrichten of die arbeid verrichten die normalerwijze verboden is (maar hier toegestaan omdat het noodzakelijk is voor de beroepsopleiding).

Leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht, zijn niet onderworpen aan het gezondheidstoezicht tot wanneer hierover een koninklijk besluit zal zijn genomen. Artikel 28 ARAB, evenals artikel 45, tweede lid van het KB van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers sluit deze praktijkstudenten immers uit van de toepassing van het passend gezondheidstoezicht.

Deze uitsluiting is het gevolg van het feit dat de bevoegdheden van de federale overheid inzake arbeidsgeneeskunde hier de bevoegdheden van de gemeenschappen inzake onderwijs raken. Het vaststellen van een regeling op dit vlak vereist noodzakelijkerwijze overleg met de gemeenschappen.

In dat verband kan nog verwezen worden naar het arrest van het Arbitragehof van 23 maart 2005. In dit arrest spreekt het Arbitragehof zich uit over een aantal prejudiciële vragen gesteld door de Raad van State waaronder de vraag of artikel 2, §1, tweede lid, 1°, e) van de welzijnswet, door te stellen dat deze praktijkstudenten gelijkgesteld worden met werknemers, geen schending inhoudt van de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenschappen en federale overheid.

Het Arbitragehof heeft hier geoordeeld dat de federale bevoegdheid inzake arbeidsbescherming zich uitstrekt tot alle personen die een vorm van arbeid verrichten, ongeacht hun statuut, onder het gezag van een andere persoon. Door te stellen dat praktijkstudenten de aan werknemers toegekende bescherming zouden genieten en door het mogelijk te maken dat zij zich reeds tijdens hun studie vertrouwd maken met de reglementering die tijdens hun beroepsleven op hen van toepassing zal zijn, heeft de federale wetgever een einde gemaakt aan de onzekerheid die ter zake heerste, zonder inbreuk te maken op de bevoegdheden van de gemeenschappen.

Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites