NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

wet van 17 maart 1987

 

 

 

HOOFDSTUK I - Nieuwe arbeidsregelingen

Afdeling 1 - Toepassingsgebied

Artikel 1

§ 1. Deze wet is van toepassing op de werkgevers en de werknemers, aangewezen bij een in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, betreffende de invoering van nieuwe regelingen inzake organisatie van de arbeidstijd in de ondernemingen, ten einde de uitbreiding of de aanpassing van de bedrijfstijd in de onderneming mogelijk te maken en de werkgelegenheid te bevorderen, volgens de voorwaarden en de nadere regelen bepaald bij dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst.

§ 2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet kunnen de in § 1 bedoelde werkgevers geen beroep meer doen op de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 179 van 30 december 1982 betreffende de experimenten van aanpassing van de arbeidstijd in de ondernemingen met het oog op een herverdeling van de beschikbare arbeid, met dien verstande dat de overeenkomsten tot aanpassing van de arbeidstijd welke voor die datum werden gesloten alsmede de eventuele verlengingen ervan, door de bepalingen van dat koninklijk besluit geregeld blijven.

 

Afdeling 2 - Toelating om af te wijken van sommige wettelijke bepalingen

Art. 2

Binnen het kader vastgesteld bij artikel 1, kan een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan, of bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de onderneming, indien er in de onderneming een vakbondsafvaardiging bestaat, of bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, het arbeidsreglement, afwijken van de volgende wettelijke bepalingen :

1° het verbod van zondagarbeid en de termijn voor toekenning van inhaalrust, voorgeschreven door respectievelijk de artikelen 11 en 16, eerste lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971;

2° het verbod om werknemers 's nachts tewerk te stellen, voorgeschreven door artikel 35 van dezelfde wet;

3° de grenzen van de arbeidsduur voorgeschreven door de artikelen 19, eerste lid, 20, 20bis en 27, van dezelfde wet, op voorwaarde dat de dagelijkse arbeidstijd twaalf uren niet overschrijdt en dat de overschrijdingen van de grenzen vastgesteld bij voornoemde artikelen 19, eerste lid, 20, 20bis en 27, onderworpen worden aan de voorwaarden vastgesteld bij artikel 26bis, § 1 van dezelfde wet;

4° het verbod om bouwwerken uit te voeren gedurende bepaalde periodes vermeld in artikel 4 van de wet van 6 april 1960 betreffende de uitvoering van bouwwerken;

5° het verbod van arbeid op feestdagen, de verplichting om feestdagen die met een zondag of een gewone inactiviteitsdag samenvallen te vervangen door een gewone activiteitsdag en de verplichting om de inhaalrust, toegekend na arbeid verricht op een feestdag, aan te rekenen op de arbeidsduur, voorgeschreven door de artikelen 4, 6, 10 en 11, vierde lid, van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen; een afwijking op de artikelen 4 en 10 houdt automatisch een afwijking in op de artikelen 6 en 11, vierde lid; in geval van afwijking op artikel 11, vierde lid, moet de inhaalrust worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 8; het gebruik van deze afwijking mag geen vermindering van het bij of krachtens artikel 4 vastgestelde aantal feestdagen voor gevolg hebben.

 

Afdeling 3 - Nadere regelen voor de toepassing van nieuwe arbeidsregelingen

Art. 3

In afwijking van artikel 29, § 2, van de wet van 16 maart 1971 wordt niet als overwerk aangemerkt, de arbeid verricht met naleving van de voorwaarden en de grenzen die van toepassing zijn op de nieuwe arbeidsregeling en inzonderheid met naleving van artikel 38bis van dezelfde wet.

Art. 4

§ 1. Het loon verloren wegens een carensdag, zoals bepaald in artikel 52, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is gelijk aan een vijfde of een zesde van het loon voor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de betrokken werknemer.

§ 2. Het loon verschuldigd voor een afwezigheidsdag bedoeld bij artikel 30 van voornoemde wet van 3 juli 1978 is gelijk aan een vijfde of een zesde van het loon voor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de betrokken werknemer.

§ 3. Artikel 56, tweede lid, van voornoemde wet van 3 juli 1978 is niet van toepassing op de gevallen bedoeld bij de artikelen 49, 51, 52, 54 en 55.

§ 4. Het loon verschuldigd voor een feestdag in toepassing van artikel 14 van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen is gelijk aan een vijfde of een zesde van het loon voor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de betrokken werknemer.

§ 5. In de gevallen bedoeld bij de §§ 1, 2 en 4 van dit artikel moet een vijfde deel of een zesde deel van het loon worden toegepast naargelang de normale arbeidsregeling van de andere werknemers van de onderneming, of bij ontstentenis van deze, van de werknemers tewerkgesteld in de ondernemingen van dezelfde bedrijfstak, vijf of zes dagen per week bedraagt.


Art. 5

Wanneer een collectieve arbeidsovereenkomst in een paritair orgaan is gesloten, overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, kan deze overeenkomst voor het invoeren van de bij artikel 1 bedoelde nieuwe arbeidsregelingen voorzien in een procedure tot wijziging van het arbeidsreglement die afwijkt van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

Art. 6

Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in een paritair orgaan, kan, indien er in de onderneming een vakbondsafvaardiging bestaat, het invoeren van de bij artikel 1 bedoelde nieuwe arbeidsregelingen maar gebeuren door tussen de werkgever en alle representatieve werknemersorganisaties die in de vakbondsafvaardiging vertegenwoordigd zijn, een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten in de zin van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.

In afwijking van de artikelen 11 en 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen worden de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst die het arbeidsreglement wijzigen, in dit reglement ingevoerd zodra deze collectieve arbeidsovereenkomst werd neergelegd op de griffie van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

Art. 7

Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan en indien er in de onderneming geen vakbondsafvaardiging bestaat, kan het invoeren van de bij artikel 1 bedoelde nieuwe arbeidsregelingen maar gebeuren met naleving van de volgende procedure.

Elk ontwerp inzake organisatie van een nieuwe arbeidsregeling, opgesteld door de werkgever, wordt schriftelijk aan elke werknemer meegedeeld. Het bevat ten minste de vermeldingen betreffende de arbeidsduur, de werktijden, de rustpauzen, de rusttijden, de modaliteiten inzake betaling van het loon en de modaliteiten inzake weerslag op de werkgelegenheid.

Gedurende acht dagen vanaf het tijdstip van die mededeling houdt de werkgever een register ter beschikking van de werknemers waarin zij hun opmerkingen kunnen optekenen.

Zodra die termijn is verstreken zendt de werkgever het ontwerp en het register ter inzage aan de voorzitter van het bevoegd paritair comité, die hem onmiddellijk de ontvangst ervan bevestigt en een afschrift van het ontwerp, alsmede van de opmerkingen die in het register voorkomen, overzendt aan de organisaties die in het paritair comité vertegenwoordigd zijn.

Vanaf deze ontvangstbevestiging beschikken de in het paritair comité vertegenwoordigde organisaties en de werknemers van de onderneming over een termijn van een maand om hun opmerkingen aan de voorzitter van het paritair comité te doen bekomen.

Indien geen opmerkingen werden gemaakt in het voormelde register en indien noch de werknemers noch de in het paritair comité vertegenwoordigde organisaties binnen de gestelde termijn opmerkingen hebben doen toekomen bij de voorzitter, stelt deze de werkgever binnen acht dagen daarvan in kennis, waarna de nieuwe arbeidsregeling in werking mag treden.

Indien daarentegen het dossier opmerkingen bevat deelt de voorzitter het onmiddellijk mede aan het paritair comité en stelt hij de werkgever, binnen dezelfde termijn van acht dagen als bedoeld in het zesde lid, in kennis van het feit dat er opmerkingen werden geformuleerd.

Bij ontstentenis van de bij het zesde en het zevende lid bepaalde kennisgeving binnen de vastgestelde termijn, mag de nieuwe arbeidsregeling na het verstrijken van die termijn in werking treden.

Het paritair comité beschikt over een termijn van twee maanden vanaf de mededeling van het dossier aan het paritair comité om zich op een gemotiveerde wijze over het dossier uit te spreken. Zijn bevoegdheid is er strikt toe beperkt na te gaan of het ontwerp, dat hem werd voorgelegd, werd opgesteld overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld door deze wet en door de in de Nationale Arbeidsraad gesloten collectieve arbeidsovereenkomst.Het ontwerp wordt verworpen in de navolgende twee gevallen :

- indien de meerderheid van de aanwezige leden zich daartoe uitspreken;
- indien alle aanwezige leden die hetzij de werkgeversorganisaties hetzij de werknemersorganisaties vertegenwoordigen zich daartoe uitspreken.

De voorzitter stelt de werkgever binnen een termijn van acht dagen in kennis van de beslissing van het paritair comité.

Bij ontstentenis van een dergelijke kennisgeving treedt de nieuwe arbeidsregeling na het verstrijken van een termijn van acht dagen volgend op het verstrijken van de termijn van twee maanden waarbinnen het paritair comité zich moest uitspreken, in werking.

In afwijking van het bepaalde in artikel 12 van de wet van 8 april 1965, wordt het arbeidsreglement in overeenstemming gebracht met de nieuwe arbeidsregeling die overeenkomstig vorenstaande procedure werd aangenomen.

Art. 8

In afwijking op artikel 4, derde lid, van de wet van 8 april 1965 en van artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, mag er individueel niet worden afgeweken van de bepalingen van het arbeidsreglement, gewijzigd ingevolge de bij de artikelen 6 en 7 of krachtens de in het artikel 5 vastgestelde procedure.

Art. 9

Wanneer in het kader van deze wet een nieuwe arbeidsregeling in een onderneming wordt ingevoerd, wordt het loon van de werknemers betaald overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Overeenkomstig artikel 9quater van dezelfde wet, zal de werknemer worden ingelicht over de staat van zijn prestaties met betrekking tot de dagelijkse en de wekelijkse arbeidsduur die hij moet verrichten.

 

Afdeling 4 - Toezicht

Art. 10

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

Art. 11 - opgeheven

Art. 12 - opgeheven

Art. 13 - opgeheven

 


Afdeling 5 - Strafbepalingen

Art. 14

Onverminderd het bepaalde in artikel 269 en in de artikelen 271 tot 274 van het Strafwetboek worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 frank of met een van die straffen alleen :

1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die de bepalingen van de artikelen 2 tot 9 niet nakomen;

2° al wie het krachtens deze wet geregelde toezicht verhindert.

Art. 15

Bij herhaling binnen één jaar na een vorige veroordeling, kan de straf op het dubbel van het maximum worden gebracht.

 

Art. 16

De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.

Art. 17

§ 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij deze wet bepaalde misdrijven.

§ 2. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in deze wet bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij deze wet bepaalde minimumbedrag.

Art. 18

De publieke rechtsvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering hiervan genomen besluiten verjaart door verloop van (vijf jaar) na het feit waaruit de vordering is ontstaan.

 

 

HOOFDSTUK II - Wijzigingen aan de arbeidswet van 16 maart 1971

Art. 19

Artikel 17 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De werknemers die (arbeid verrichten in opeenvolgende ploegen) kunnen op zondag worden tewerkgesteld op voorwaarde dat hun arbeid een keer per week wordt onderbroken gedurende een periode van vierentwintig opeenvolgende uren waarvan er ten minste achttien op de zondag vallen."

Art. 20

In artikel 35, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden "en elke ploeg, buiten de wettelijke rusttijden, meer dan acht uren per dag werkt" geschrapt.

 

 

HOOFDSTUK III - Slotbepaling

Art. 21

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.


 
 
 
 

 


 
  
 

 


 

 

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites