NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen


HOOFDSTUK I. Toepassingsgebied.

Artikel 1.

Deze wet is van toepassing op de werknemers en op de werkgevers.

Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld :
1° met werknemers: de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
2° met werkgevers: de personen die de onder 1° genoemde personen te werk stellen.

Deze wet is niet van toepassing op de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen.

Deze wet blijft van toepassing, in de gevallen en binnen de termijnen die bij koninklijk besluit zullen worden vastgesteld, op de werknemers wier arbeidsovereenkomst of arbeidsprestaties een einde hebben genomen.


Art. 2.

De Koning kan, op voorstel van de bevoegde paritaire comités en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de bepalingen van deze wet, zo nodig onder de door Hem te stellen voorwaarden, geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de in artikel 1, derde lid, genoemde werknemers of niet toepasselijk verklaren op de werknemers die onder die bepalingen vallen.

Wanneer de Nationale Arbeidsraad de functie vervult die door het eerste lid aan de paritaire comités is opgedragen, beraadslaagt en beslist hij alleen dan geldig wanneer ten minste de helft van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en de helft van de leden die de werknemers vertegenwoordigen aanwezig zijn. Alleen de vertegenwoordigers van de werkgevers en de vertegenwoordigers van de werknemers hebben beslissende stem. Het voorstel moet bovendien met eenparigheid van stemmen worden genomen.


Art. 3.

De werkgevers zijn, wat de in het buitenland tewerkgestelde werknemers betreft, van de toepassing van deze wet vrijgesteld, wanneer laatstgenoemde, tijdens de periode van tewerkstelling aldaar, voordelen genieten, welke ten minste gelijkwaardig zijn aan deze waarop zij ingevolge deze wet aanspraak hadden kunnen maken.

De Koning kan nadere regelen voor de toepassing van het eerste lid bepalen.


Art. 3bis.

De bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 2 en hoofdstuk III zijn niet van toepassing op werknemers aangeworven in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst.


HOOFDSTUK II. Verbod van tewerkstelling tijdens de feestdagen.

Afdeling 1. Algemene beginselen. 

Art. 4. 

De werknemer mag tijdens tien feestdagen per jaar niet tewerkgesteld worden.

De Koning kan het aantal feestdagen verhogen.

Hij bepaalt de data van die feestdagen hetzij door algemene bepalingen, hetzij door bijzondere bepalingen voor sommige bedrijfstakken of categorieën van werknemers.

Art. 5. 

De ingevolge de bepalingen van deze wet niet gepresteerde arbeidsuren mogen niet ingehaald worden tijdens andere dagen om ingevolge de toekenning van de feestdagen verloren arbeidsuren te compenseren, tenzij in de door de Koning bepaalde gevallen.


Afdeling 2. Vervanging van de feestdagen welke met een zondag of een gewone inactiviteitsdag samenvallen. 

Art. 6. 

Wanneer een feestdag met een zondag of een gewone inactiviteitsdag samenvalt, wordt hij door een gewone activiteitsdag vervangen.

Art. 7. 

De paritaire organen kunnen voor alle of voor een deel van de ondernemingen welke onder hun bevoegdheid vallen de vervangingsdag vaststellen.

De Minister, die de arbeid in zijn bevoegdheid heeft, moet vóór 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan dit waarin de te vervangen feestdag valt van deze beslissing in kennis worden gesteld.

Die beslissingen hebben slechts uitwerking nadat zij bij koninklijk besluit algemeen verbindend werden verklaard.

Art. 8. 

Bij ontstentenis van een beslissing van een paritair orgaan, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, kan de vervangingsdag vastgesteld worden door de ondernemingsraad. Bij ontstentenis van ondernemingsraad of indien de ondernemingsraad geen beslissing heeft getroffen, mogen de regelingen op het vlak van de onderneming getroffen worden tussen de werkgever eensdeels en de syndicale afvaardiging anderdeels, of, bij ontstentenis van deze laatste, de werknemers.

Indien op deze verschillende vlakken geen beslissing wordt genomen, worden de regelingen getroffen bij individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer.


Art. 9. 

Wanneer de vervangingsdag niet overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling werd vastgesteld, wordt de feestdag vervangen door de eerste gewone activiteitsdag die in de onderneming op die feestdag volgt.

Afdeling 3. Tewerkstelling tijdens een feestdag.

Art. 10. 

De werknemer mag tijdens een feestdag tewerkgesteld worden wanneer zondagsarbeid door of krachtens de arbeidswet van 16 maart 1971 is toegestaan.

De Koning bepaalt de duur of de frequentie van de toegelaten tewerkstelling tijdens de feestdagen wanneer de zondagsarbeid enkel tijdens een bepaalde periode van het jaar of volgens een beperkte frequentie is toegestaan.

Afdeling 4. Inhaalrust. 

Art. 11. 

Wanneer een werknemer tijdens een feestdag werd tewerkgesteld, heeft hij recht op een inhaalrust.

De inhaalrust bedraagt een volle dag, indien de arbeid langer dan vier uren heeft geduurd en ten minste een halve dag indien hij niet langer dan vier uren heeft geduurd; in dit laatste geval moet de inhaalrust worden verleend vóór of na 13 uur en op die dag mag niet langer dan vijf uur arbeid worden verricht.

De Koning kan een andere regeling voor inhaalrust dan die bepaald in het tweede lid voorschrijven. Hij mag evenwel de daarin voorziene duur van de inhaalrust niet wijzigen, tenzij om deze vast te stellen op de werkelijke duur van de verrichte arbeid.

De inhaalrust dient op de arbeidsduur aangerekend te worden en mag niet met deze, toegekend op grond van hoofdstuk III van de arbeidswet van 16 maart 1971, samenvallen.

Deze rust wordt toegekend binnen de zes weken welke op de feestdag volgen.

In het geval waarin de inhaalrust niet tijdens bovenvermelde periode kan verleend worden, hetzij ingevolge de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, zo het de bij artikel 1, eerste lid, bedoelde werknemers betreft, hetzij ingevolge de tijdelijke gevolgen van een geval van overmacht, zo het de bij artikel 1, tweede lid, 1°, bedoelde werknemers betreft, wordt zij toegekend binnen de zes weken welke respectievelijk op de verdwijning van de schorsingsoorzaken of op het einde van de tijdelijke gevolgen van het geval van overmacht volgen.

Indien een opzeggingstermijn tijdens de voormelde periodes loopt, moet de inhaalrust worden toegekend vóór het verstrijken van die termijn.


Art. 12. 

De Koning kan, door bijzondere bepalingen voor sommige bedrijfstakken of categorieën van werknemers, andere dan de bij artikel 11 bedoelde toekenningsregelen van de inhaalrust vaststellen.

Afdeling 5. Bekendmaking. 

Art. 13. 

§ 1. De data van de feestdagen die bij koninklijk besluit worden bepaald moeten in het arbeidsreglement worden vermeld.

De werkgevers zijn verplicht vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van hun onderneming een ondertekend en gedagtekend bericht aan te plakken waarin worden vermeld:

1° de bij de artikelen 7 en 8 bepaalde vervangingsdagen van de feestdagen;

2° de toepassingsregelen van de in afdeling 4 bedoelde inhaalrust.

Een kopie van dit bericht wordt aan het arbeidsreglement gehecht.

§ 2. De werkgevers die niet verplicht zijn tot het opstellen van een arbeidsreglement, zijn verplicht vóór 15 december van elk jaar in de lokalen van hun onderneming, een ondertekend en gedagtekend bericht aan te plakken waarin worden vermeld :

1° de data van de bij koninklijk besluit bepaalde feestdagen;

2° de bij de artikelen 7 en 8 bepaalde vervangingsdagen van de feestdagen;

3° de toepassingsregelen van de in afdeling 4 bedoelde inhaalrust.

§ 3. De door de Koning aangewezen ambtenaar moet door de werkgever uiterlijk acht dagen na de feestdag tijdens welke een werknemer tewerkgesteld werd, en in ieder geval vóór de dag waarop de inhaalrust verleend wordt, verwittigd worden. Dezelfde ambtenaar moet eveneens een afschrift ontvangen van het bericht bedoeld in § 2.


HOOFDSTUK III. Loon voor de feestdagen.

Art. 14. 

§ 1. De werknemer heeft recht op loon voor elke feestdag of vervangingsdag, tijdens welke hij niet werd tewerkgesteld, evenals voor elke inhaalrustdag.

Dit loon is eveneens verschuldigd in de door de Koning bepaalde voorwaarden, wanneer de feestdag of de vervangingsdag samenvalt met een dag waarop de arbeidsovereenkomst is geschorst, indien het de bij artikel 1, eerste lid, bedoelde werknemers betreft, of met een dag waarop, ingevolge de tijdelijke gevolgen van een geval van overmacht, geen arbeid onder het gezag van de werkgever zou gepresteerd geweest zijn indien het bij artikel 1, tweede lid, 1°, bedoelde werknemers betreft.

§ 2. De Koning stelt het bedrag van het loon of de in aanmerking te nemen elementen voor het berekenen ervan vast. Hij wijst de werkgever aan die de betaling van dit loon moet doen.

Hij kan bijzondere berekeningsregelen voor sommige bedrijfstakken of bepaalde werknemerscategorieën vaststellen.

§ 3. De Koning kan het recht op loon van de vervulling van bepaalde toekenningsvoorwaarden afhankelijk maken.


Art. 15. 

In de bedrijfstakken, waar een fonds voor bestaanszekerheid bestaat, is de werkgever ontslagen van het geheel of van een gedeelte van de verplichting tot betaling van het loon in de mate waarin een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst het fonds voor bestaanszekerheid met die verplichting heeft belast, tenzij de Koning andere instellingen aanwijst om, geheel of gedeeltelijk, de last en de uitbetaling van dat loon te verzekeren.


Art. 16. 

Wanneer, ten gevolge van de moeilijkheden eigen aan de werkvoorwaarden in een bepaalde bedrijfstak, de last der betaling van het loon voor de feestdagen billijkerwijze niet door één werkgever kan gedragen worden, kan de Koning een compensatiestelsel instellen, waaraan al de belanghebbende werkgevers, bij middel van bijzondere bijdragen en volgens de door Hem bepaalde modaliteiten, deelnemen.


HOOFDSTUK IV - Algemene bepalingen.

Afdeling 1. Advies. 

Art. 17. 

Ter uitvoering van de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden wint de Koning het advies in van het bevoegd paritair comité. Dit advies kan echter door de Nationale Arbeidsraad worden gegeven wanneer de verordening behoort tot de bevoegdheid van verschillende paritaire comités. Bij ontstentenis van dergelijke comités wordt het advies gegeven door de Nationale Arbeidsraad.

Het geraadpleegde orgaan deelt zijn advies mede binnen twee maanden nadat hem het verzoek daartoe is gedaan; zo niet, wordt er niet op gewacht.


Afdeling 2. - Toezicht. 

Art. 18. 

De werkgevers, met uitzondering van de bij artikel 1, tweede lid, 2°, bedoelde personen, moeten zich gedragen naar de bepalingen van de besluiten, genomen ter uitvoering van de wet van 26 januari 1951 betreffende de vereenvoudiging van de documenten waarvan het bijhouden door de sociale wetgeving opgelegd is.

De Koning kan de bepalingen van voormelde wet van 26 januari 1951 en van de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing maken op de bij artikel 1, tweede lid, 2° bedoelde personen.

Art. 19. 

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.

Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.


Art. 20. - opgeheven 

Art. 21.- opgeheven 

Art. 22. - opgeheven 


Afdeling 3. - Strafbepalingen. 

Art. 23. 

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met een van die straffen alleen :

1° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die arbeid doen of laten verrichten in strijd met de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan;

2° de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de bepalingen van de artikelen 13, 14 of 16 niet nakomen;

3° al wie het krachtens deze wet georganiseerde toezicht verhindert.

De rechter die de bij het vorig lid bepaalde straffen toepast uit hoofde van inbreuk op de bepalingen van de artikelen 14 of 16, veroordeelt de delinquent ambtshalve tot de betaling respectievelijk van het loon of van de achterstallige bijdragen.

Art. 24. 

Voor de in artikel 23, 1° en 2°, bepaalde misdrijven, wordt de geldboete zoveel maal toegepast als er personen in strijd met de bepalingen van de wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan zijn tewerkgesteld; het bedrag van de geldboete mag evenwel niet hoger zijn dan 50 000 euro.

Art. 25. 

Bij herhaling binnen één jaar na een vorige veroordeling, kan de straf op het dubbel van het maximum worden gebracht.

Art. 26. 

De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld.

Art. 27. 

§ 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij deze wet bepaalde misdrijven.

§ 2. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in deze wet bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij deze wet bepaalde minimumbedrag.

Art. 28. 

De strafvordering wegens overtreding :

1° van de bepalingen der artikelen 14 of 16 van deze wet of van hun uitvoeringsbesluiten verjaart door verloop van vijf jaar na het ogenblik waarop de werknemer opgehouden heeft onder het gezag van de werkgever te werken;

2° van de andere bepalingen van deze wet of van hun uitvoeringsbesluiten verjaart door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.


HOOFDSTUK IVbis. - Bijzondere regeling voor de instellingen waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en deze wet van toepassing zijn.


Art. 28bis. 

Dit hoofdstuk is van toepassing op de personen tewerkgesteld in de overheidsdiensten bedoeld in artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en waarop deze wet van toepassing is krachtens artikel 1, derde lid.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "het bevoegde onderhandelingscomité", één van de onderhandelingscomités bedoeld in artikel 4, § 1, van de wet van 19 december 1974.


Art. 28ter. 

Voor de toepassing van deze wet, vervangt de onderhandeling in het bevoegde onderhandelingscomité de procedures welke verlopen in de paritaire organen en de raadpleging voor advies van het paritair comité of de Nationale Arbeidsraad voor de zaken die uitsluitend betrekking hebben op personeel van de overheidsdiensten waarop de door de wet van 19 december 1974 ingestelde regeling toepasselijk verklaard is.


HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen.


Art. 29. 

De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen om hun teksten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.


Art. 30. 

De Koning kan de arbeidswet van 16 maart 1971 en de bepalingen van deze wet coördineren, met inachtneming van de uitdrukkelijke of impliciete wijzigingen die deze bepalingen op het tijdstip van de coördinatie hebben ondergaan.

Te dien einde kan Hij, in de coördinatie :

1° de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;

2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen vernummeren en in overeenstemming brengen met de nieuwe nummering;

3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen in de te coördineren bepalingen vervat, de redactie van die bepalingen wijzigen met het oog op hun overeenstemming en de eenheid in de terminologie.

Art. 31. - vervangt. 

Art. 32. 

De besluitwet van 25 februari 1947 betreffende het toekennen aan de arbeiders van loon voor acht feestdagen per jaar, gewijzigd bij de wet van 30 december 1950, het koninklijk besluit van 13 oktober 1953, het koninklijk besluit van 15 januari 1954, de wet van 27 juli 1955 en het koninklijk besluit van 1 maart 1971, wordt opgeheven.


Art. 33. 

De besluiten getroffen in uitvoering van de besluitwet van 7 februari 1946 betreffende het toekennen, aan de werklieden, van loon voor acht feestdagen per jaar, alsmede deze getroffen in uitvoering van de vorenbedoelde besluitwet van 25 februari 1947, blijven van kracht totdat zij worden opgeheven of totdat hun geldigheidsduur verstrijkt.

Zij houden in elk geval op uitwerking te hebben één jaar na de laatste dag van de maand waarin deze wet is bekendgemaakt. De bepalingen van de besluiten getroffen in uitvoering van artikel 8 van de hierboven vermelde besluitwet van 25 februari 1947, houden op uitwerking te hebben de dag waarop deze wet in werking treedt.

De bepalingen betreffende de rust of het loon van de feestdagen in de bij koninklijk besluit algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten blijven van kracht totdat hun geldigheidsduur verstrijkt, of tot hun vervanging hetzij bij koninklijk besluit getroffen in uitvoering van deze wet, hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomsten welke algemeen verbindend worden verklaard. Dit lid is niet van toepassing op de bepalingen die niet stroken met deze wet, behalve indien zij daarin een rechtsgrond vinden welke aan de Koning een analoge afwijkingsmacht toekent.

Art. 34. 

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites