NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

2015 - Gebruik van alcohol, illegale drugs en slaap- en kalmeringsmiddelen in de bevolking

Hoofdthema

Gebruik van alcohol, illegale drugs en slaap- en kalmeringsmiddelen in de bevolking.

Subthema

Gebruik van alcohol, illegale drugs en slaap- en kalmeringsmiddelen in de bevolking. Preventie en behandeling door huisartsen, en gezondheidstoezicht op het werk door arbeidsgeneesheren..

Doelstellingen

Om de rol van huisartsen (HA) en arbeidsgeneesheren (AG) in de aanpak van middelengebruik bij de actieve Belgische bevolking grondig te onderzoeken, vertrouwden het Federaal Wetenschapsbeleid (Belspo), de FOD Volksgezondheid en de FOD Werkgelegenheid (WASO) deze studie toe aan een onderzoeksconsortium. Ook mogelijke pistes voor samenwerking tussen beide medische disciplines werden onderzocht. HA zijn zowel bij de detectie als bij de behandeling van problemen belangrijke spelers omdat zij vaak de eerste schakel zijn in de gezondheidszorg. Van AG wordt verwacht dat ze een rol spelen in de bevordering van gezondheid en veiligheid op de werkplek, ook ingeval van problematisch middelengebruik (CAO nr. 100).

UP TO DATE liet HA en AG aan het woord om een beter inzicht te krijgen in hun visie over deze problematiek. Daarnaast werd aan andere deskundigen uit de sector gevraagd of zij HA en AG beschouwden als nuttige en betrouwbare partners. Dit onderzoek werd zowel in Vlaanderen als in Wallonië uitgevoerd.

In deze studie werd het gebruik van alcohol, illegale drugs en psychofarmaca (slaap- en kalmeermiddelen) onderzocht, meer bepaald bij volwassenen van 18 tot 65 jaar.

De onderzoeksgroep was samengesteld uit departementen van de universiteiten van Luik, Antwerpen en Leuven, en de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD). Prof. Marc Vanmeerbeek (ULg) was coördinator. Voor het onderzoek bij de peilpraktijken van HA werd er tevens samengewerkt met het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV).

Met deze studie zocht men een antwoord op volgende vragen:

  1. Wat is de vraag naar behandeling in de eerstelijnszorg?
  2. Wat is de mate van betrokkenheid van HA en AG op het vlak van middelen-misbruik?
  3. Welke methoden gebruiken ze om een passend antwoord te geven op de verschillende vragen waarmee zij worden geconfronteerd?

Het begrip ‘problematisch gebruik’ verwijst naar de definitie van de Public Health Association van British Columbia (Canada), die het middelengebruik op een continuüm plaatst: verantwoord gebruik (‘positieve’ gezondheids-, sociale en spirituele effecten) -> occasioneel gebruik, niet problematisch gebruik (occasioneel gebruik, recreatief gebruik, ander gebruik met verwaarloosbare gezondheids- en sociale effecten) -> problematisch gebruik (negatieve gevolgen voor het individu, de directe omgeving en voor de samenleving) -> afhankelijkheid (dwangmatig gebruik ondanks negatieve effecten).

Timing

2012-2015

Opdrachtgever

  • Belspo: Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid, Federaal Onderzoskprogramma Drugs
  • Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Algemene Directie Humanisering van de Arbeid, Directie van het onderzoek over de verbetering van de arbeidsomstandigheden (DiOVA)
  • Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu

Onderzoeksteam

  • Marc Vanmeerbeek (M),Université de Liège
  • Roy Remmen (M), Lieve Peremans (V), Universiteit Antwerpen
  • Philippe Mairiaux (M), Université de Liège
  • Lode Godderis (M), Katholieke Universiteit Leuven
  • André Lemaïtre (M), Université de Liège
  • Marc Ansseau (M), Université de Liège
  • Geert Dom (M), Universiteit Antwerpen
  • Marie-Claire Lambrechts (v), Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen, VAD vzw

Resultaten

Literatuurreview

K. Van Royen, L. Peremans, R. Remmen, M. Vanmeerbeek, L. Godderis, Ph. Mairiaux

Er werd een systematische literatuurstudie uitgevoerd van de aanbevelingen voor beste praktijken gepubliceerd tussen 2002 en 2012. Enerzijds over de methoden voor de diagnose en de aanpak van middelenmisbruik (alcohol, slaap- en kalmeermiddelen, illegale drugs), anderzijds over de samen-werking tussen HA en AG. Hoewel ook de arbeidsgeneeskunde binnen het kader van dit onderzoek viel, werd er voor AG geen enkele praktijkgids om met middelenmisbruik om te gaan teruggevonden. Er werden slechts enkele aanbevelingen gevonden over de screening van alcoholgebruik op de werkplek.

De aanbevelingen bevestigen de belangrijke plaats van HA in deze problematiek. Screening en een  kortdurende interventie moeten steeds worden gekoppeld. De ontwenning van alcohol of benzodiazepines kan ambulant gebeuren, maar niet bij de huisarts. Zelfhulp vormt een zinvol en complementair aanbod. Farmacologische behandeling voor opiaat-agonisten (methadon, buprenorfine) moet ruim toegankelijk zijn in de huisartsenpraktijk.

Beroep doen op gespecialiseerde centra is gereserveerd voor complexe situaties en voor zwangere vrouwen die meer systematisch moeten worden gescreend.

Voor veiligheidsfuncties op de werkplek zou op ruime schaal een systematische screening en aangepaste interventiemaatregelen moeten geïntroduceerd worden. Bij een positief resultaat kan de AG een korte interventie doen vooraleer hij/zij doorverwijst naar een HA of een gespecialiseerde instelling.

Studies naar de doeltreffendheid van opsporingsinstrumenten van middelenmisbruik in de huisartsenpraktijk of in de arbeidsgeneeskunde ontbreken vooralsnog. Meer onderzoek naar de plaats en het type van interventies, in het kader van de arbeidsgeneeskunde, en in samenwerking met bestaande behandelingsstructuren, zijn uitermate aangewezen.

Gelet op het huidig aantal niet behandelde patiënten moeten alle mogelijkheden om deze situatie te verbeteren onderzocht worden. Andere delen van dit rapport wijzen er immers op dat tal van patiënten die kampen met middelenmisbruik nog aan het werk zijn, waar ze een gevaar kunnen vormen voor zichzelf en voor hun collega's.

Kenmerken van de populatie die een HA raadpleegt en daarbij middelenmisbruik vertoont

N. Boffin, J. Antoine, V. Van Casteren, M. Vanmeerbeek, A. Lemaître, F. Ketterer, L. Peremans

Het WIV contacteerde het Belgische Netwerk van peilartsen om informatie te verzamelen over de populatie die de huisarts raadpleegt en daarbij middelenmisbruik vertoont. Hierdoor kreeg men een idee van de gebruikte middelen, van de problemen gekoppeld aan dit gebruik, van de status van tewerkstelling en van de gerealiseerde aanpak. Hiervoor werd een specifiek gestandaardiseerd registratieformulier ontwikkeld.

De meerderheid van deze patiënten was ouder dan 35 jaar en man. Slechts 40% van de patiënten was nog aan het werk. 47% van de patiënten gebruikte uitsluitend alcohol, 23% gebruikte alcohol in combinatie met een ander middel. 47% van de patiënten had zich in de laatste maand onthouden van gebruik. Bij de meeste patiënten was het middelenmisbruik al erg lang aan de gang (> 10 jaar). Slechts 3% van de patiënten had geen enkel lichamelijk, geestelijk of sociaal probleem als gevolg van het middelenmisbruik.

HA behandelen patiënten met middelenmisbruik zowel met farmacologische als niet-farmacologische behandelingen. In de helft van de gevallen zijn ze de enige behandelaar, vooral bij niet al te complexe problemen: oudere patiënten, vaak nog aan het werk, die slechts één middel misbruiken (meestal alcohol) maar over een langere periode. Vaak loopt de behandeling al op het moment van registratie, en meestal heeft de patiënt zich in de laatste maand onthouden van gebruik. Doorgaans gaat het dus over relatief stabiele situaties.

Welke factoren beïnvloeden de huisartsenpraktijk met betrekking tot middelenmisbruik?

F. Ketterer, L. Symons, MC. Lambrechts, Ph. Mairiaux, L. Godderis, L. Peremans, R. Remmen, M. Vanmeerbeek

De HA werden zowel via een kwalitatieve (20 individuele diepte-interviews) als kwantitatieve (papieren vragenlijst, 413 respondenten) methode bevraagd. Het “Integrated Model for Change” van Hein De Vries (I-Change Model) werd gebruikt als conceptueel kader om het geheel van factoren te bestuderen die een invloed hebben op de beslissing van HA om een patiënt die middelenmisbruik vertoont al dan niet in behandeling te nemen.

Het percentage artsen die patiënten met middelenmisbruik ziet varieert sterk naargelang het middel: ongeveer 90% ziet patiënten met misbruik van alcohol en slaap- en kalmeermiddelen; 54% met misbruik van cannabis en 43% met misbruik van andere illegale drugs.

De uiteenlopende opvattingen over de behandeling van middelenmisbruik zijn te verklaren door de persoonlijke attitudes van de HA, de beschikbare middelen bij de patiënten, en de ondersteunings-structuren van HA en de mate van bijscholing. In de antwoorden van de artsen keert meermaals terug dat ze zichzelf willen beschermen tegen uitputting of een burn-out, en dat ze willen samenwerken met andere therapeuten voor een gezamenlijke behandeling.

Onder de motivationele elementen lijken de plaats van de patiënt, de attitudes en de eigen- effectiviteit van de HA het meest belangrijk. De HA worden persoonlijk geraakt door deze patiënten en vellen een moreel oordeel; bijgevolg zien we een brede waaier van voorstellingen van patiënten gaande van mensen met een chronische ziekte, waarbij de HA een behandeling logisch vindt, tot een moreel afwijkend persoon (die zelf schuld treft). Globaal gezien is de houding van HA meer positief ten opzichte van patiënten met misbruik van alcohol en van slaap- en kalmeermiddelen dan van illegale drugs (aanwezigheid van stereotyperingen).

De kennis over de thematiek blijft een belangrijk element: HA die over meer kennisbronnen beschikken hebben een grotere kans om patiënten te zien die kampen met middelenmisbruik. Aanbevelingen, aangepast aan de concrete praktijk, zijn zeer wenselijk.

Naarmate de leeftijd vordert en hun ervaring toeneemt, houden HA zich meer bezig met deze problematiek, terwijl ze zichzelf ook beter gaan beschermen. Bovendien zijn HA die een duidelijk beeld hebben van hun rol en van de grenzen van hun verantwoordelijkheid beter beschermd tegen gevoelens van frustratie, teleurstelling en onmacht.

De resultaten vestigen de aandacht op de noden van HA, de ondersteuning en de procedures die mogelijk ontwikkeld kunnen worden ter bevordering van de aanpak van middelenmisbruik: via LOK-vergaderingen of intervisie, coaching, persoonlijke ontwikkeling. Het belang van multidisciplinaire samenwerking werd ook in deze studie onderstreept als bevorderende factor voor de behandeling. Vele HA willen meer opvangmogelijkheden in gespecialiseerde centra. Enerzijds kan dat betekenen dat HA meer willen samenwerken, anderzijds dat ze patiënten willen doorverwijzen om er zelf niet meer mee te hoeven omgaan.

Welke factoren beïnvloeden de aanpak door arbeidsgeneesheren van middelenmisbruik bij werknemers?

MC Lambrechts, F. Ketterer, L. Symons, Ph. Mairiaux, L. Peremans, R. Remmen, M. Vanmeerbeek, L. Godderis

De AG werden over dezelfde thema’s en op eenzelfde methodologische manier bevraagd (16 individuele diepte-interviews, en via een online bevraging (247 respondenten, of ongeveer 30% van de bevraagde AG).

AG vormen een vrij homogene groep op vlak van preventie en aanpak van middelenmisbruik van werknemers. AG hebben vooral ervaring met het problematisch gebruik van alcohol en slaap- en kalmeermiddelen van werknemers, waarvan ze, in tegenstelling tot deze van illegale drugs, de effecten kennen. Het problematisch karakter van middelengebruik wordt vooral door werk-gerelateerde criteria bepaald (bv. veiligheidsrisico’s), gevolgd door gezondheidseffecten en de mate van gebruik.

Het engagement van AG wordt grotendeels beïnvloed door hun attitudes omtrent werk-gerelateerd misbruik, en hun kennis. Wat hen onderscheidt is vooral het ervaren van sociale steun bij hun interventies, en faciliterende contextuele factoren zoals de preventiecultuur in de onderneming en een uitgewerkt alcohol- en drugbeleid. De meeste AG vinden dat ze een voortrekkersrol hebben in de ontwikkeling en uitvoering van dergelijk alcohol- en drugbeleid. De concrete uitvoering ervan is in realiteit weinig voorhanden, en een aanzienlijk kleiner aantal AG is hierbij effectief betrokken.

Het merendeel van de AG wilt investeren in gezondheidspromotie. Tijdsgebrek en de nadruk op het periodiek gezondheidstoezicht zijn de belangrijkste obstakels, vooral voor AG van externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Bijna de helft van de deelnemende AG vindt het frustrerend niet meer te kunnen doen dan de wettelijke opdrachten, waarbij de nadruk ligt op medisch periodiek onderzoek.

AG voelen zich vaak machteloos. Een aanzienlijk aantal geeft aan over onvoldoende specifieke communicatievaardigheden te beschikken. AG willen vooral opleidingen over efficiënte doorverwijzingen en vaardigheidstrainingen (communicatie, motiverende gespreksvoering).

Voor alle drugs verwijzen AG veruit het meest naar HA, en ook naar gespecialiseerde ambulante centra. In mindere mate verwijzen AG naar privé-psychiaters en -psychologen. In realiteit werken AG echter weinig samen met HA. Heel wat knelpunten maken de samenwerking volgens AG niet eenvoudig. Zo geven HA volgens AG geen feedback en proberen ze patiënten aan het werk te houden ten koste van mogelijke functioneringsproblemen. AG vinden ook dat HA hen vaak als controlearts beschouwen. Daarnaast zijn er praktische problemen voor de samenwerking met HA. Nochtans vinden de meeste AG dat huisartsen het best geplaatst zijn om de zorg te coördineren van werknemers met middelenmisbruik.
AG vinden dat ze zonder psychosociale hulpverlening, zowel binnen (bv. de preventieadviseur psychosociale aspecten) als buiten het bedrijf, werknemers niet doeltreffend kunnen helpen. Opvangmogelijkheden in gespecialiseerde centra (vooral ambulant) dienen uitgebreid te worden.

De rol van de HA en AG bekeken door andere actoren betrokken bij de behandeling van middelenmisbruik 

I. Demaret, M. Vanmeerbeek, M. Ansseau, A. Lemaître

Ook andere betrokken actoren inzake middelenmisbruik werden bevraagd over hun kijk op de rol van HA en AG, de manier waarop ze met hen interageren en de verbeteringen die wenselijk zijn voor een mogelijke samenwerking.

Achtenzestig deelnemers kwamen samen in acht fysieke groepen en vier virtuele groepen (stemming via e-mail).

De vragen voor HA hebben te maken met hun belangrijke rol als zorgverleners. Er werd gevraagd naar hun aanwezigheid bij en actieve betrokkenheid in de alcohol- en drugproblematiek, naar hun centrale en globale rol, rekening houdend met de verschillende medische en psychosociale aspecten van het probleem. Anderzijds werd van hen niet gevraagd dat zij patiënten volledig op eigen houtje behandelen, wel integendeel: doorverwijzing naar gespecialiseerde hulpverleners of centra is erg aangewezen zolang er contact wordt gehouden met de patiënt en met de andere betrokken partijen (preventiediensten bescherming op het werk, psycho-medisch-sociale hulpverleners). HA worden gevraagd om een betere kennis te hebben van gespecialiseerde hulpverleningscentra alsook van de alcohol- en drugproblematiek. Op die manier zullen HA de aanpak van deze patiënten beter zien zitten.

Aan AG werd gevraagd een ruime kijk te hebben, zonder te stigmatiseren, en meer inzicht te krijgen in de complexe realiteit van verslavingen. Idealiter zijn AG in staat om probleemgevallen op te sporen en de dialoog aan te gaan met die werknemers. Ze kunnen hen aansporen in behandeling te gaan voor hun problematisch middelengebruik, en kunnen zo een acute crisissituatie binnen het bedrijf voorkomen.

De belangrijkste bekommernis omtrent de AG is het verhoogde risico op het werk ten gevolge van het middelengebruik van werknemers. Om dit te verhelpen wilden de deelnemers van de nominale groepen meer betrokkenheid zien bij de AG, enerzijds op het vlak van preventie, screening en voorlichting over misbruik op de werkplek, en anderzijds in de zoektocht naar praktische oplossingen op maat van de werknemer: aanpassing van de werkplek, ziekteverlof, doorverwijzing naar een therapeut, en indien mogelijk ondersteuning bij de terugkeer naar het werk.

Aan de AG wordt, net zoals aan de HA, gevraagd meer in contact te treden met andere deskundigen, zowel in de onderneming zelf (andere preventieadviseurs maatschappelijk werkers, vertrouwenspersonen, vakbonden, werkgeversvertegenwoordigers), als erbuiten (HA, centra geestelijke gezondheid, sociale diensten). Het gaat om een zeer uitgebreid pakket voorstellen gericht op preventie (van de risico's, of van de consumptie zelf), op voorlichting en op het zoeken naar individuele oplossingen. Een van de doelstellingen is werken aan de bedrijfscultuur ten aanzien van de alcohol- en drugproblematiek.

Sommige deelnemers drukten ook de wens uit dat de Collectieve Arbeidsovereenkomst nr. 100 (CAO 100) van toepassing zou zijn in hun sector. Anderen vonden dat de AG zich opener konden opstellen en dat hun aanpak persoonlijker kon.

De betrokkenheid van HA en AG verbeteren. Wat kunnen we leren van buitenlandse initiatieven?

MA. Berrewaerts, F. Ketterer, M. Vanmeerbeek

Vervolgens werd onderzocht welke buitenlandse initiatieven werden genomen om HA en AG meer en beter te betrekken bij de aanpak van patiënten en werknemers met middelenmisbruik. Er werd onder meer een literatuuronderzoek uitgevoerd aan de hand van sleutelwoorden, en diverse experten werden persoonlijk gecontacteerd met de vraag om experimenten te signaleren die niet in de eerder onderzochte media waren gepubliceerd.

Na selectie, werden zes publicaties of rapporten overgehouden: vier over alcohol, één over cannabis en één over opioïden; geen enkele tekst over slaap- en kalmeermiddelen werd gevonden. Hierbij dient opgemerkt dat geen enkele evaluatiestudie specifiek over AG ging (één tekst behandelde HA en AG samen). Onderstaande trends konden worden vastgesteld.

Een betere behandeling van middelenmisbruik door HA vergt actie op het vlak van opleiding, motivatie en de organisatie van de zorg.
De opleidingsmethoden moeten aangepast worden aan de prioriteiten van de HA. Zij zijn in de eerste plaats vragende partij om nieuwe klinische competenties te verwerven, en dat doel bereikt men het best in kleine groepjes of door individuele training.

Werken aan motivatie is het meest bijzondere onderdeel, maar het minst gebruikelijk in de praktijk. Een aanpak gebaseerd op motiverende gedragsverandering van de HA, gekoppeld aan praktische informatie, bleek een duidelijke toename van het aantal patiënten met cannabis- of opiatengebruik op te leveren.

Een vaak gehoorde klacht van artsen is hun tijdsgebrek. Twee van de studies hebben dan ook het belang en de doeltreffendheid van praktijkassistenten onderstreept.

Financiële incentives zouden moeten overwogen worden aangezien de behandeling van middelen-misbruik extra werk met zich meebrengt. Intervisie met collega’s in kleine groepjes heeft zeker haar plaats als ondersteuning van de praktijk.

Valorisering van resultaten

MC. Lambrechts, F. Ketterer, M. Vanmeerbeek

In het laatste onderdeel van UP TO DATE werden de resultaten gevaloriseerd: “Een proces dat ervoor zorgt dat wetenschappelijke kennis kan gebruikt worden in de praktijk. Valorisatie is het geschikt en bruikbaar maken van onderzoeksresultaten opdat de kans groter wordt dat derden ze zouden kunnen benutten.” Dit proces omvatte drie initiatieven (methode van “Large Scale Interventions”) waarbij de resultaten achtereenvolgens getoetst werden bij HA, bij AG, en tot slot bij andere stakeholders tijdens een slotconferentie.

De HA-valorisering werd georganiseerd tijdens LOK-bijeenkomsten. De meest significante en relevante resultaten voor de praktijk werd toegelicht en bediscussieerd: 1) Alcohol- en druggebruik in de praktijk, 2) Invloed van kennis en attitudes en 3) Communicatie en samenwerking met AG. Vaak vermelde opmerkingen vormden de basis voor een bijsturing (doorgaans een toevoeging) van de onderzoeksresultaten, weliswaar op basis van de praktijkervaring van de deelnemende LOKs. De rol van kennis en attitudes als beïnvloedende gedragsfactoren bij de aanpak van problematisch gebruik bij patiënten werd toegelicht. In tegenstelling tot de valorisatie bij HA werd voor de valorisatie bij AG geopteerd om dit op één centraal moment te organiseren. Ondanks de medewerking van de koepelorganisaties was de respons te beperkt, en werd dit initiatief geannuleerd.

De slotconferentie vond plaats op 23 januari 2015 (FOD WASO) met 129 stakeholders uit verschillende domeinen, zoals preventiewerkers en hulpverleners uit de alcohol- en drugsector, onderzoekers, beleidsverantwoordelijken, en medewerkers van politie/justitie, en van welzijns- en gezondheidsorganisaties.

Aanbevelingen van deze studie

Aan het eind van dit onderzoek kunnen we een aantal krachtlijnen onderscheiden. De volgende aanbevelingen kunnen bijdragen tot een verbetering van de aanpak van de HA, in de diverse leefomgevingen van de betrokkenen, alsook tot een betere aanpak door de AG, in het kader van hun opdracht om te waken over de gezondheid en veiligheid van werknemers in de onderneming.

Deze aanbevelingen vormen een samenhangend geheel. De verwachte doeltreffendheid is zowel afhankelijk van de kwaliteit van de eventuele afzonderlijke acties als van hun onderlinge samenhang, en van hun geleidelijke invoering binnen een algemeen kader. De onderstaande tabel geeft een schematisch overzicht van de aanbevelingen van de Up to Date-studie.

Tabel 1: Samenvatting van de aanbevelingen van de Up to Date-studie

Aanbevelingen voor zowel HA als AG

In artsenopleidingen moet ruimte voor vorming omtrent de alcohol- en drugproblematiek worden voorzien
Basisopleiding: theorielessen en praktische oefeningen met voorbeeldscenario's om vertrouwd te raken met communicatie- en motivationele basistechnieken.
Nascholing: de bestaande opleidingen meer in de kijker zetten. Motiverende aanpak specifiek gericht op aarzelende HA.

Er is meer bewustmaking nodig over begrippen en definities met betrekking tot ADP
De aangewezen termen om gevaarlijke en schadelijke drinkpatronen te beschrijven, zijn ‘gevaarlijk’ alcoholgebruik, ‘schadelijk alcoholgebruik, ‘episodisch zwaar drinken’ en ‘alcoholafhankelijkheid’ in plaats van termen zoals alcoholmisbruik en alcoholisme.

Samenwerking tussen HA en AG moet concreet gestimuleerd worden
Richtlijnen voor goede praktijken voor samenwerking tussen HA en AG opstellen 
Autoriteiten op het vlak van gezondheid en arbeidsgezondheid moeten duidelijk communiceren over de voordelen van deze samenwerking
Ontmoetingen stimuleren

Er zijn meer doorverwijzingsmogelijkheden naar gespecialiseerde centra nodig
Verkorten van de wachtlijsten
Financiële tegemoetkoming door de ziekteverzekering

Aanbevelingen met betrekking tot HA

Aanbevelingen met betrekking tot AG

Opleidingen voor HA moeten steeds gericht zijn zowel op detectie en kortdurende interventies, als op doorverwijzingsmogelijkheden
Hulpmiddelen om gebruik te detecteren
Panel van beschikbare therapieën en therapeuten
Aanbevelingen voor de behandeling van biomedische aspecten

AG hebben behoefte aan specifieke nascholing over ADP
Vorming over doeltreffende behandelingsmogelijkheden (ifv verwijzing)
Training in communicatievaardigheden en motiverende gesprekvoering.

Er moeten aangepaste aanbevelingen voor goede praktijken worden ontwikkeld
Vaak voorkomende situaties in de eerstelijnszorg, verschillende middelen
Consensus over praktijken zonder EBM-bewijs
Gevalideerd en beschikbaar gesteld door CEBAM
Integratie in bestaande software

Systematische screening naar alcohol- en illegaal druggebruik is aangewezen bij werknemers met veiligheidsfuncties

Onderzoek naar problematisch middelengebruik zou kunnen toegevoegd worden aan de checklist van de DMG+ voor huisartsen
Zodra er consensus is over aanbevelingen op het vlak van screening – brief interventions (SBI)

Aanbevelingen voor goede praktijken moeten worden ontwikkeld, aangepast aan de individuele rol van de AG
Gebruik van AUDIT-C en korte interventies door AG
De rol van AG in Gezondheidsbevordering

Er is meer ondersteuning nodig voor HA die ADP behandelen
Ervaringen uitwisselen onder collega's (intervisies), nascholing, LOK-vergaderingen, individuele begeleiding

Evaluatie van de uitvoering van CAO 100
Uitdieping en concretisering van de toepassing van CAO 100
Uitbreiding van het toepassingsgebied naar publieke organisaties en naar het onderwijs

 

 

Een multidisciplinaire benadering binnen het bedrijf stimuleren
Preventieadviseur psychosociale staat in voor de psychosociale aspecten
Specifieke rol personeelsdienst
Er moet specifiek ruimte zijn voor problematisch middelengebruik bij de reïntegratie na een periode van arbeidsongeschiktheid van meer dan drie maanden.


Publicaties

UNIVERSITE DE LIEGE : Marc VANMEERBEEK, Philippe MAIRIAUX, André LEMAÎTRE, Marc ANSSEAU, Frédéric KETTERER, Danièle PIRENNE, Isabelle DEMARET

SCIENTIFIC INSTITUTE OF PUBLIC HEALTH: Viviane VAN CASTEREN, Nicole BOFFIN, Jérôme ANTOINE

UNIVERSITEIT ANTWERPEN: Roy REMMEN, Lieve PEREMANS, Geert DOM , Kathleen VAN ROYEN, Lynda SYMONS

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN: Lode GODDERIS, Marie-Claire LAMBRECHTS

VERENIGING VOOR ALKOHOL- EN ANDERE DRUGPROBLEMEN vzw: Marie-Claire LAMBRECHTS

General coordination: Pr Marc VANMEERBEEK, ULg : marc.vanmeerbeek@ulg.ac.be

Bijkomende inlichtingen

Indien u meer informatie wenst over dit onderzoek of de publicaties, neem dan contact op met de Directie van het Onderzoek over de Verbetering van de Arbeidsomstandigheden (DIOVA), E. Blerotstraat 1 - 1070 Brussel, alain.piette@werk.belgie.be.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites