NL | FR | EN | DE
Contact | Nieuws | Nieuwsbrief | Geavanceerd zoeken     .be
Naar Startpagina
Zoeken

Personenliften

Situering

Deze tekst geeft een toelichting over de toepassing van het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van liften, gecombineerd met de bepalingen van de welzijnsreglementering.

Onder de term “beveiliging van liften” moet zowel de veiligheid van de gebruiker – die ook een werknemer kan zijn - als die van de onderhoudstechnicus, hersteller, installateur, keurder, enz. worden beschouwd. De gebruikers ervaren de lift als een installatie waarvan zij, al dan niet tijdens hun werk, gebruik van maken. Voor de onderhoudstechnicus, keurder, reparateur, installateur is de lift het voorwerp van hun werk.

Verschillende incidenten en (dodelijke) ongevallen met liften zijn bekend. Beheersing van de risico’s is dan ook van belang.

Wettelijke bepalingen

Verschillende regelgevingen zijn van toepassing bij werken aan en met liften, waaronder:

Liften beveiligen volgens het KB van 9 maart 2003 en andere regelgeving

Liften dienen te worden beveiligd om te voldoen aan het KB van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van liften. Nadien zal een externe dienst voor technische controles op de werkplaats (EDTC) de lift in zijn geheel op basis van dat KB keuren.

De beheerder van de lift en van het gebouw waarin deze lift zich bevindt, dient ook rekening te houden met andere verplichtingen. Zo moet hij er op toezien dat er geen bestaande beveiligingen worden verwijderd of verminderd, bijvoorbeeld in het kader van de compartimentering voor de brandveiligheid (ARAB). Indien die bestonden, dient hij na te gaan of die wel mogen worden gewijzigd.

Het KB betreffende de beveiliging van liften eist “aanpassingen te voorzien zodat onderhoud en inspectie onder veilige omstandigheden kan geschieden” en het “aanpassen van de afscherming van de liftschacht, het tegengewicht en de beweegbare onderdelen tussen verschillende liften”. Onderhoudstechnici en keurders voeren ook interventies uit staande bovenop de kooi. Om valgevaar van op de kooi te beperken, bestaan er verschillende mogelijkheden, zoals balustrades op het kooidak. Het KB betreffende de beveiliging van liften voorziet geen hoogte van de balustrades, maar dat is wel bepaald in de norm EN 81-1 die als goede praktijk kan dienen: een hoogte van 70 cm indien de vrije horizontale afstand 30 cm of meer is en een hoogte van 110 cm indien de vrije horizontale afstand 85 cm of meer is. Een balustrade is enkel een valbescherming, geen afscherming van bewegende delen. Het toezicht door de inspecteurs van de FOD (Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk) is gebaseerd op de Belgische wetgeving terzake.

Alle elektrische aanpassingen bij het beveiligen van een bestaande lift moeten voldoen aan het AREI. Dat omvat onder andere de elektrische componenten, types geleiders, hoofdschakelaars, zekeringkasten, thermische beveiligingen, het elimineren van rechtstreekse aanraking van onder spanning staande geleiders, de schachtverlichting, …

Een lift voldoet ook aan de definitie van “arbeidsmiddel”, zoals bepaald in het KB van 12 augustus 1993 betreffende de arbeidsmiddelen. Dat heeft als gevolg dat een onderhoudstechnicus of keurder interventies bij één of meerdere liften waarvan de bewegende delen niet zijn afgeschermd, pas mag uitvoeren als alle naburige liften in die liftschacht zijn uitgeschakeld. Het is een te groot risico om aan de ene lift werken uit te voeren en de andere in gebruik te laten. Een recent dodelijk ongeval is hiervan het gevolg geweest.

Het is aan te raden dat de beheerder van de lift laat zorgen dat alle restrisico’s met waarschuwingsborden in de liftmachinekamer, de liftschacht en de liftput worden aangeduid, zodat alle personen die er komen werken op de hoogte zijn van die risico’s. Liftonderhoudsbedrijven en EDTC’s zijn daarenboven verplicht om hun eigen werknemers duidelijk te informeren over alle gevaren die nog bestaan.

In de liftmachinekamer dienen instructies “wat te doen in noodgeval” aanwezig te zijn. Het onderhoudsboekje en de handleiding dienen ter beschikking te zijn en moeten kunnen worden voorgelegd.

Het KB betreffende de beveiliging van liften voorziet dat er “voldoende stopnauwkeurigheid rekening houdend met de technische kenmerken en de bestemming van de lift” dient te zijn gegarandeerd. In een bedrijfsomgeving of in een gebouw waar men bijvoorbeeld met een kar in en uit de lift rijdt met het gevaar op haperen of stoten van een werknemer, dan is het noodzakelijk dat de stopnauwkeurigheid exact is. De notie van bestemming van de lift is hier doorslaggevend. Anderzijds is een stopnauwkeurigheid van een aantal centimeter geen probleem indien uit de risicoanalyse van het bedrijf blijkt dat het risico wordt beheerst (markering, aanduidingen, geen karren in de lift…).

Opschriften in de liftkooi, liftmachinekamer, schacht en liftput moeten steeds ten minste in de taal van het taalgebied zijn gesteld.

De liftmachinekamer, liftschacht en schachtput zijn exclusieve ruimten die enkel voor de liftinstallatie mogen worden gebruikt. Ze dienen door de beheerder vrij te worden gehouden van vreemd materiaal.

Ten slotte moet de beheerder van de lift ook zorgen voor een veilige toegang tot de liftmachinekamer.

Risicoanalyse

Vooraleer werken aan de beveiliging van de lift uit te voeren, dient er een risicoanalyse te worden uitgevoerd volgens het KB betreffende de beveiliging van liften en de welzijnsreglementering.

Nadat de beveiligingen aan de lift zijn aangebracht, keurt de EDTC in opdracht van de beheerder de uitgevoerde modernisatiewerken op basis van die risicoanalyse.

Bijkomende inlichtingen

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg - Gebruiksvoorwaarden - Privacy - Sitemap

AnySurfer, Belgisch kwaliteitslabel voor toegankelijke websites